1Toen kwam David te Nob, tot den priester Achimelech; en Achimelech kwam bevende David tegemoet, en hij zeide tot hem: Waarom zijt gij alleen, en geen man met u?
1大衛在挪伯獲亞希米勒幫助大衛到了挪伯祭司亞希米勒那裡,亞希米勒戰戰兢兢地迎接大衛,對他說:“你為甚麼獨自一人,沒有人跟隨你呢?”(本節在《馬索拉抄本》為21:2)
2En David zeide tot den priester Achimelech: De koning heeft mij een zaak bevolen, en zeide tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten, om dewelke ik u gezonden heb, en die ik u geboden heb; den jongelingen nu heb ik de plaats van zulk een te kennen te kennen gegeven.
2大衛對亞希米勒祭司說:“王吩咐我作一件事,對我說:‘我差派你,吩咐你去辦的這事,你不要讓任何人知道,我已經指示我的僕人在某地會面。’
3En nu wat is er onder uw hand? Geef mij vijf broden in mijn hand, of wat er gevonden wordt.
3現在你手中有甚麼?求你給我五個餅,或是別的食物。”
4En de priester antwoordde David, en zeide: Er is geen gemeen brood onder mijn hand; maar er is heilig brood, wanneer zich de jongelingen slechts van de vrouw onthouden hebben.
4祭司回答大衛:“我手中沒有普通的餅,只有聖餅。只有那些沒有親近過女人的年輕人,才可以吃的。”
5David nu antwoordde den priester, en zeide tot hem: Ja trouwens, de vrouw is ons onthouden geweest gisteren en eergisteren, toen ik uitging, en de vaten der jongelingen zijn heilig; en het is enigerwijze gemeen brood, te meer dewijl heden ander in de vaten zal geheiligd worden.
5大衛回答祭司說:“像以往我出征的時候一樣,這次我們出征前,確實沒有親近女人。雖然這是一次普通的任務,眾僕人的器皿還是清潔的,何況今天這些器皿更加是清潔的。”
6Toen gaf de priester hem dat heilige, dewijl er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht des HEEREN weggenomen waren, dat men er warm brood legde, ten dage als dat weggenomen werd.
6於是祭司把聖餅給他,因為在那裡沒有別的餅,只有陳設餅,就是那些剛從耶和華面前拿下來,為要換上熱的。
7Daar was nu een man van de knechten van Saul, te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht des HEEREN, en zijn naam was Doeg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen, die Saul had.
7那天有一個掃羅的臣僕在那裡,留在耶和華面前。他名叫多益,是以東人,是掃羅牧羊人中的領袖。
8En David zeide tot Achimelech: Is hier onder uw hand geen spies of zwaard? Want ik heb noch mijn zwaard noch ook mijn wapenen in mijn hand genomen, dewijl de zaak des konings haastig was.
8大衛問亞希米勒:“你手下有槍有刀沒有?因為王的事很急迫,所以我手裡連刀劍或其他武器都沒有帶來。”
9Toen zeide de priester: Het zwaard van Goliath, den Filistijn, denwelken gij sloegt in het eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, achter den efod; indien gij u dat nemen wilt, zo neem het, want hier is geen ander dan dit. David nu zeide: Er is zijns gelijke niet; geef het mij.
9祭司回答:“有一把刀,是你從前在以拉谷擊殺的那非利士人歌利亞的刀。這刀用布包著,放在以弗得後面,你若是要拿去自用,就拿去吧,因為這裡除了這刀以外,再沒有別的武器了。”大衛說:“沒有比這更好的刀了,請你給我吧!”
10En David maakte zich op, en vluchtte te dien dage van het aangezicht van Saul; en hij kwam tot Achis, den koning van Gath.
10大衛在迦特裝瘋那一天大衛起來,從掃羅面前逃走,到了迦特王亞吉那裡。
11Doch de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David, de koning des lands? Zong men niet van dezen in de reien, zeggende: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?
11亞吉的臣僕對亞吉說:“這不是那地的王大衛嗎?那裡的婦女不是指著他跳舞歌唱說:‘掃羅殺死千千,大衛殺死萬萬’嗎?”
12En David legde deze woorden in zijn hart; en hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, den koning van Gath.
12大衛把這些話記在心裡,他非常怕迦特王亞吉,
13Daarom veranderde hij zijn gelaat voor hun ogen, en hij maakte zichzelven gek onder hun handen; en hij bekrabbelde de deuren der poort, en hij liet zijn zever in zijn baard aflopen.
13就在眾人面前假裝神智不健全,在他們手下裝瘋,在城門的門扇上胡亂塗寫,又讓唾沫流到鬍鬚上。
14Toen zeide Achis tot zijn knechten: Ziet, gij ziet, dat de man razende is, waarom hebt gij hem tot mij gebracht?
14亞吉就對他的臣僕說:“你們看,這個人瘋了,你們為甚麼把他帶到我這裡來呢?
15Heb ik razenden gebrek, dat gij dezen gebracht hebt, om voor mij te razen? Zal deze in mijn huis komen?
15難道我缺少瘋子嗎?你們竟把這人帶來我面前發瘋。這人怎可以進我的家呢?”