1En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzelven te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich aldus:
1保羅在亞基帕王面前申辯(徒9:3~8,22:6~11)亞基帕對保羅說:“准你為自己申辯。”於是保羅伸手辯護說:
2Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word;
2“亞基帕王啊,猶太人控告我的事,今天我可以在你面前辯護,實在是萬幸;
3Allermeest, dewijl ik weet, dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen, die onder de Joden zijn. Daarom bid ik u, dat gij mij lankmoediglijk hoort.
3特別是你熟悉猶太人的一切規例和爭論,所以求你耐心聽我申訴:
4Mijn leven dan van der jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden;
4我從幼年到現在,在本國、在耶路撒冷為人怎樣,猶太人都知道。
5Als die van over lang mij te voren gekend hebben (indien zij het wilden getuigen), dat ik, naar de bescheidenste sekte van onzen godsdienst, als een Farizeer geleefd heb.
5如果他們肯作證的話,他們是早就知道,我是按著我們祖宗最嚴格的教派,過著法利賽人的生活。
6En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is;
6現在我站著受審,是為了對 神向我們祖先的應許存著盼望。
7Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.
7我們十二支派晝夜切切地事奉 神,都是盼望這應許實現。王啊,我被猶太人控告,正是為了這個盼望。
8Wat? wordt het bij ulieden ongelofelijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?
8 神使死人復活,你們為甚麼認為是不可信的呢?
9Ik meende waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen den Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen.
9從前,我也認為應該多方敵對拿撒勒人耶穌的名。
10Hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe.
10後來就在耶路撒冷這樣作了。我得到了眾祭司長授權,把許多聖徒關在監裡,並且他們被殺的時候,我也表示同意。
11En door al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft, en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buiten landse steden.
11我在各會堂裡多次用刑強迫他們說褻瀆的話;我非常憤恨他們,甚至追到國外的城巿去迫害他們。
12Waarover ook als ik naar Damaskus reisde, met macht en last, welk ik van de overpriesters had,
12“那時候,我得到祭司長的授權和准許,去大馬士革。
13Zag ik, o koning, in het midden van den dag, op den weg een licht, boven den glans der zon, van den hemel mij en degenen, die met mij reisden, omschijnende.
13王啊,就在中午的時候,我在路上看見一道光,比太陽更明亮,從天上四面照著我和同行的人。
14En als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik een stem, tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Het is u hard, tegen de prikkels de verzenen te slaan.
14我們都仆倒在地上,我聽見有聲音用希伯來話對我說:‘掃羅!掃羅!你為甚麼迫害我?你要踢刺是難的。’
15En ik zeide: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt.
15我說:‘主啊,你是誰?’主說:‘我就是你所迫害的耶穌。
16Maar richt u op, en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen;
16你起來,站著,我向你顯現,是要指派你為我工作。你要為你所見過的事,和我將要向你顯明的事作見證。
17Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot dewelke Ik u nu zende;
17我要救你脫離這人民和外族人,差遣你到他們那裡去,
18Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.
18開他們的眼睛,使他們從黑暗中歸向光明,從撒但的權下歸向 神,使他們的罪惡得到赦免,並且在那些因信我而成聖的人中同得基業。’
19Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat Hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest;
19“亞基帕王啊,因此,我沒有違背這從天上來的異象,
20Maar heb eerst dengenen, die te Damaskus waren, en te Jeruzalem, en in het gehele land van Judea, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeren, werken doende der bekering waardig.
20先向大馬士革、耶路撒冷、猶太全地的人宣講,後向外族人宣講,叫他們悔改,歸向 神,行事與悔改的心相稱。
21Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den tempel gegrepen en gepoogd om te brengen.
21猶太人就是為了這緣故在殿裡捉住我,想要殺我。
22Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zoude:
22然而,我得到 神的幫助,直到今日還是站得穩,向尊卑老幼作見證,我所講的都是眾先知和摩西所論的將來必成的事,
23Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke, en den heidenen.
23就是基督必須受難,並且從死人中首先復活,把光明的信息傳報給這人民和外族人。”
24En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Festus met grote stem: Gij raast, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij!
24保羅說服亞基帕王保羅申訴到這裡,非斯都大聲說:“保羅!你瘋了;你的學問太大,使你瘋了!”
25Maar hij zeide: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand;
25保羅說:“非斯都大人,我沒有瘋,我說的都是真實的話,清醒的話。
26Want de koning weet van deze dingen, tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is; want dit is in geen hoek geschied.
26因為王知道這些事,所以我對王坦白直說。我確信這些事沒有一件能瞞得過他,因為這不是在背地裡作的。
27Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat gij ze gelooft.
27亞基帕王啊,你信先知嗎?我知道你是信的。”
28En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden.
28亞基帕對保羅說:“你想用這樣短短的時間就可以說服我作基督徒嗎!”
29En Paulus zeide: Ik wenste wel van God, dat, en bijna en geheellijk, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, zodanigen wierden, gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden.
29保羅說:“無論時間短也好,時間長也好,我向 神所求的,不單是你,而且是今天所有的聽眾,都能像我一樣作基督徒,只是不要有這些鎖鍊。”
30En als hij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren;
30亞基帕王、總督和百尼基,還有在座的人都站起來,
31En aan een zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: Deze mens doet niets des doods of der banden waardig.
31退到一邊,彼此談論,說:“這個人並沒有犯過甚麼該死該綁的罪。”
32En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen.
32亞基帕對非斯都說:“這個人若沒有向凱撒上訴,早就可以釋放了。”