1Ter zelver tijd zeide de HEERE tot mij: Houw u twee stenen tafelen, als de eerste, en klim tot Mij op dezen berg; daarna zult gij u een kist van hout maken.
1摩西重新接受誡命(出34:1~10)“那時,耶和華對我說:‘你要鑿出兩塊石版,和先前的一樣,然後上山到我這裡來;又要做一個木櫃。
2En Ik zal op die tafelen schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafelen, die gij gebroken hebt; en gij zult ze leggen in die kist.
2我要把你摔碎的先前那兩塊版上的話,寫在這兩塊版上;你要把它們放在櫃中。’
3Alzo maakte ik een kist van sittimhout, en hieuw twee stenen tafelen als de eerste; en ik klom op den berg, en de twee tafelen waren in mijn hand.
3於是我用皂莢木做了一個櫃,又鑿出了兩塊石版,和先前的一樣;然後我手裡拿著這兩塊石版,上山去了。
4Toen schreef Hij op de tafelen, naar het eerste schrift, de tien woorden, die de HEERE, ten dage der verzameling, op den berg, uit het midden des vuurs, tot ulieden gesproken had; en de HEERE gaf ze mij.
4耶和華把先前所寫的,就是在集會的日子,在山上從火中告訴你們的十誡,都寫在這兩塊版上;耶和華把石版交給了我。
5En ik keerde mij, en ging af van den berg, en legde de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; en aldaar zijn zij, gelijk als de HEERE mij geboden heeft.
5於是我轉身從山上下來,把石版放在我所做的櫃中,照著耶和華吩咐我的,現在石版還放在那裡。
6(En de kinderen Israels reisden van Beeroth-Bene-jaakan en Mosera. Aldaar stierf Aaron, en werd aldaar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats.
6“以色列人從比羅比尼.亞干起程,到了摩西拉。亞倫在那裡死了,也埋葬在那裡;他的兒子以利亞撒接替他供祭司的職分。
7Van daar reisden zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.)
7他們從那裡起程,到了谷歌大,又從谷歌大到約巴他,就是多溪水的地。
8Ter zelver tijd scheidde de HEERE den stam Levi uit, om de ark des verbonds des HEEREN te dragen, om voor het aangezicht des HEEREN te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op dezen dag.
8那時,耶和華把利未支派分別出來,叫他們抬耶和華的約櫃,侍立在耶和華面前事奉他,並且奉他的名祝福,直到今日。
9Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broederen; de HEERE is zijn Erfdeel, gelijk als de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft.
9所以利未人在兄弟中無分無業;照著耶和華你的 神應許他的,耶和華自己就是他的產業。
10En ik stond op den berg, als de vorige dagen, veertig dagen en veertig nachten; en de HEERE verhoorde mij ook op datzelve maal; de HEERE heeft u niet willen verderven.
10“我又像以前那樣,在山上停留了四十晝夜;那一次耶和華也聽了我的呼求,他不願把你毀滅。
11Maar de HEERE zeide tot mij: Sta op, ga op de reize, voor het aangezicht des volks, dat zij inkomen, en erven het land, dat Ik hun vaderen gezworen heb, hun te geven.
11耶和華對我說:‘你起來,走在人民的前面,使他們可以進去,得著我向他們列祖起誓賜給他們的那地。’
12Nu dan, Israel! wat eist de HEERE, uw God van u dan den HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den HEERE, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;
12勸勉眾民敬畏耶和華“以色列啊,現在耶和華你的 神向你要的是甚麼呢?只要你敬畏耶和華你的 神,行在他的一切道路上,愛他,一心一意事奉耶和華你的 神,
13Om te houden de geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede.
13遵守耶和華的誡命和律例,就是我今日吩咐你的,為要叫你得福。
14Ziet, des HEEREN, uws Gods, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is.
14看哪,天和天上的天,地和地上的一切都是屬於耶和華你的 神的。
15Alleenlijk heeft de HEERE lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is.
15但耶和華只喜悅你的列祖,愛他們;他從萬民中揀選了他們的後裔,就是你們,像今日一樣。
16Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer.
16所以你們要給你們的心行割禮,不可再頑固。
17Want de HEERE, uw God, is een God der goden, en een Heere der heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt;
17因為耶和華你們的 神,他是萬神之神、萬主之主、偉大有力和可畏的 神;他不徇情面,也不受賄賂。
18Die het recht van den wees en van de weduwe doet; en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve.
18他為孤兒寡婦伸張正義,又把衣食給寄居的人。
19Daarom zult gijlieden den vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland.
19所以你們要愛寄居的人,因為你們在埃及地也作過寄居的人。
20Den HEERE, uw God, zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem zult gij aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.
20你要敬畏耶和華你的 神,事奉他,依靠他,奉他的名起誓。
21Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben.
21他是你當頌讚的;他是你的 神,他為你作了那些大而可畏的事,就是你親眼見過的。
22Uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u de HEERE, uw God, gesteld als de sterren des hemels in menigte.
22你的列祖下到埃及的時候,一共不過七十人,現在耶和華你的 神卻使你的人數像天上的星那麼多了。”