1Daarna keerden wij ons en togen op, den weg van Bazan; en Og, de koning van Bazan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edrei.
1擊敗巴珊王噩(民21:31~35)“後來我們回轉過來,沿著到巴珊的路上去;巴珊王噩和他的眾民,都出來迎著我們,在以得來與我們作戰。
2Toen zeide de HEERE tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem, en al zijn volk, en zijn land, in uw hand gegeven; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.
2耶和華對我說:‘你不要怕他,因為我已經把他和他的眾民,以及他的土地,都交在你的手裡;你要待他,像從前你待希實本的亞摩利人的王西宏一樣。’
3En de HEERE, onze God, gaf ook Og, den koning van Bazan, en al zijn volk, in onze hand, zodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven.
3於是耶和華我們的 神也把巴珊王噩和他的眾民都交在我們的手裡;我們擊殺了他們,沒有留下一個存活的人。
4En wij namen te dier tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de ganse landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan.
4那時,我們掠奪了他所有的城;在巴珊王噩的國土裡,亞珥歌的全境,共有六十座城,沒有一座城不被我們所奪。
5Al die steden waren met hoge muren, poorten en grendelen gesterkt, behalve zeer vele onbemuurde steden.
5這些城都是以高牆作堡壘,有城門,有門閂;此外,還有很多沒有城牆的鄉村。
6En wij verbanden dezelve, gelijk wij Sihon, den koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende alle steden, mannen, vrouwen en kinderen.
6我們把這些都滅盡,像從前我們待希實本王西宏一樣,把各城中的男女和小孩子都滅盡。
7Doch al het vee en den roof van die steden roofden wij voor ons.
7只有城中所有的牲畜和奪得的財物,都掠為己有。
8Zo namen wij te dier tijd het land uit de hand van de twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, van de beek Arnon tot den berg Hermon toe;
8那時,我們從約旦河東亞摩利人的兩個王手裡,把從亞嫩谷直到黑門山的地奪了過來,
9(De Zidoniers noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.)
9(西頓人稱黑門山為西連,亞摩利人卻稱它為示尼珥。)
10Al de steden des platten lands, en het ganse Gilead, en het ganse Bazan, tot Salcha en Edrei toe; steden des koninkrijks van Og in Bazan.
10就是奪了平原上所有的城市,基列全境和巴珊全境,直到撒迦和以得來,這都是巴珊王噩國內的城市。
11Want Og, de koning van Bazan, was alleen van de overigen der reuzen overgebleven; ziet, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba der kinderen Ammons? Negen ellen is haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar eens mans elleboog.
11(利乏音人的餘民中,只留下巴珊王噩一人;看哪,他的床是鐵的,長四公尺,寬兩公尺,這是按一般的尺寸量度,現在不是還在亞捫人的拉巴嗎?)
12Ditzelfde land nu namen wij te dier tijd in bezit; van Aroer af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelve, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten.
12分地給約旦河東的支派(民32:1~42)“那時,我們佔領了那地,從亞嫩谷旁邊的亞羅珥起,我把基列山地的一半和其中的城市,都給了流本人和迦得人。
13En het overige van Gilead, mitsgaders het ganse Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan den halven stam van Manasse, de ganse landstreek van Argob, door het ganse Bazan; datzelve werd genoemd het land der reuzen.
13基列其餘的地方和巴珊全境,就是噩王的國土,我都給了瑪拿西半個支派。亞珥歌全境就是巴珊全境,這叫作利乏音人的地。
14Jair, de zoon van Manasse, kreeg de ganse landstreek van Argob, tot aan de landpale der Gezurieten en Maachathieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvoth-Jair, tot op dezen dag.
14瑪拿西的兒子睚珥,佔了亞珥歌全境,直到基述人和瑪迦人的邊界,就按著自己的名字稱巴珊全境為哈倭特.睚珥,直到今日。
15En aan Machir gaf ik Gilead.
15我又把基列給了瑪吉。
16Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en de landpale; en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons;
16從基列到亞嫩谷,以谷的中心為界,直到亞捫人邊界的雅博河,我都給了流本人和迦得人;
17Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, mitsgaders de landpale; van Cinnereth af tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten.
17又把亞拉巴,和以約旦河為界,從基尼烈直到亞拉巴海,就是鹽海,在毗斯迦山坡下東邊的地方,都給了他們。
18Voorts gebood ik ulieden ter zelfder tijd, zeggende: De HEERE, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen zijt, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broederen, de kinderen Israels.
18“那時,我吩咐你們:‘耶和華你們的 神,已經把這地賜給你們作產業了;你們所有的戰士,都要預備好,在你們的兄弟以色列人面前過河去。
19Behalve uw vrouwen, en uw kinderkens, en uw vee (ik weet, dat gij veel vee hebt), zij zullen blijven in uw steden, die ik u gegeven heb;
19只有你們的妻子、小孩子和牲畜,可以留在我賜給你們的城裡。
20Totdat de HEERE uw broederen rust geve, gelijk ulieden, dat zij ook erven het land, dat de HEERE, uw God, hun geven zal aan gene zijde van de Jordaan; dan zult gij wederkeren, elk tot zijn erfenis, die ik u gegeven heb.
20直到耶和華使你們的兄弟,像你們一樣得了安身的地方;他們也佔領了耶和華你們的 神在約旦河西賜給他們的地,然後你們各人才可以回到我賜給你們作產業的地去。’
21Ook gebood ik Jozua ter zelfder tijd, zeggende: Uw ogen zien alles, wat de HEERE, ulieder God, aan deze twee koningen gedaan heeft; alzo zal de HEERE aan alle koninkrijken doen, naar welke gij henen doortrekt.
21那時,我吩咐約書亞:‘你親眼看見了耶和華你們的 神向這兩個王所行的一切;耶和華也必向你正要去的各國照樣行。
22Vreest ze niet; want de HEERE, uw God, strijdt voor ulieden.
22你們不要怕他們,因為耶和華你們的 神要為你們作戰。’
23Ook bad ik den HEERE om genade, zeggende ter zelfder tijd:
23不許摩西過約旦河入迦南“那時,我懇求耶和華,說:
24Heere HEERE! Gij hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in den hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden!
24‘主耶和華啊,你已經把你的偉大和你有能力的手顯給你的僕人看;在天上地下,哪一個神能有像你所作的工作,能有像你所行的奇事呢?
25Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien, dat aan gene zijde van de Jordaan is, dat goede gebergte, en den Libanon!
25求你讓我過去,看看約旦河西的美地,就是那美好的山地和黎巴嫩。’
26Doch de HEERE verstoorde zich zeer om uwentwille over mij, en hoorde niet naar mij; maar de HEERE zeide tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak.
26但耶和華為了你們的緣故,向我發怒,不聽我的懇求;耶和華對我說:‘罷了,不要向我再提這事了。
27Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en zie toe met uw ogen; want gij zult over deze Jordaan niet gaan.
27你要上毗斯迦山頂去,舉目向東、南、西、北,親眼觀看,因為你不能過這約旦河。
28Gebied dan Jozua, en versterk hem, en bekrachtig hem; want hij zal voor het aangezicht van dit volk henen overgaan, en zal hun dat land, dat gij zien zult, doen erven.
28你卻要吩咐約書亞,堅固他,鼓勵他,因為他要在這人民前面過河去,使他們承受你看見的這地。’
29Alzo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor.
29於是我們住在伯.毗珥對面的谷中。”