1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
1摩西之歌“天哪,留心吧,我要說話;地啊,聆聽我口中的言語。
2Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.
2我的教訓下降如雨,我的言語滴落如露,像細雨落在青草上,像甘霖降在蔬菜上。
3Want ik zal den Naam des HEEREN uitroepen; geeft onzen God grootheid!
3因為我要宣告耶和華的名;你們要尊崇我們的 神的偉大。
4Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
4他是磐石,他的作為完全,因為他一切所行的全都公平;他是誠實無偽的 神,又公義,又正直。
5Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.
5這世代向他行事敗壞,就不是他的兒女,滿有弊病,這實在是個乖僻彎曲的世代。
6Zult gij dit den HEERE vergelden, gij, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft?
6愚昧無知的人民哪,你們這樣報答耶和華嗎?他不是你的父,不是把你買回來的嗎?他造了你,建立了你。
7Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.
7你要回想古時的日子,思念歷代以來的年月;問你的父親,他必告訴你;問你的長者,他們必對你說。
8Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israels.
8至高者把地業賜給列國的時候,把人類分開的時候,就照著以色列子孫的數目,立定了萬民的境界。
9Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve.
9但耶和華的分就是他的子民,他的產業就是雅各。
10Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.
10耶和華在曠野之地遇見了他,在荒涼之地和野獸吼叫的荒野,遇見了他,就環繞他,看顧他,保護他,好像保護自己眼中的瞳人一樣。
11Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;
11又像老鷹攪動巢窩,飛翔在雛鷹之上,搧展翅膀,接取雛鷹,背在自己的兩翼之上。
12Zo leidde hem de HEERE alleen, en er was geen vreemd god met hem.
12耶和華獨自領導了他,並沒有外族人的神與他同在。
13Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit den kei der rots;
13耶和華使他乘駕地的高處,得吃田間的土產;又使他從巖石中吸蜜,從堅固的磐石中取油。
14Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet der lammeren en der rammen, die in Bazan weiden, en der bokken, met het vette der nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt gij gedronken.
14也吃牛酪和羊乳,羊羔的脂肪,巴珊的公牛和公山羊,以及上好的麥子;也喝了葡萄汁釀成的酒。
15Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (gij zijt vet, gij zijt dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde den Rotssteen zijns heils.
15但耶書崙肥胖了,就踢跳,‘你肥胖了,你粗壯了,你飽滿了,’他離棄了造他的 神,輕看了救他的磐石。
16Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt.
16他們以外族人的神激動了 神的憤恨,以可憎之事惹起了他的怒氣。
17Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor dewelke uw vaders niet geschrikt hebben.
17他們獻祭給鬼魔(他們不是神),就是他們從來不認識的神,是近來新興的,是你們的列祖所不懼怕的。
18Den Rotssteen, Die u gegenereerd heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld den God, Die u gebaard heeft.
18你輕忽了生你的磐石,你忘記了產你的 神。
19Als het de HEERE zag, zo versmaadde Hij hen, uit toornigheid tegen zijn zonen en zijn dochteren.
19因為他的兒女激怒了 神,耶和華看見了,就棄絕了他們,
20En Hij zeide: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hunlieder einde zal wezen; want zij zijn een gans verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is.
20說:‘我必掩面不顧他們,要看看他們的結局怎樣;因為他們是乖曲的一代,心裡沒有信實的人。
21Zij hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
21他們以不是神的神激動了我的憤恨,以虛無之物惹動了我的怒氣;我也以不是子民的人激動他們的憤恨,以愚昧的國民惹動他們的怒氣。
22Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in de onderste hel, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden der bergen in vlam zetten.
22因為在我的怒中有火燃燒起來,燒到陰間的深處,把大地和地的出產盡都吞滅,連山的根基也燒著了。
23Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten.
23我要把災禍加在他們身上,把我的箭向他們射盡。
24Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van den karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden der beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen des stofs.
24他們必因饑荒消瘦,被熱病和毒症消滅;我也要打發野獸用牙齒咬他們,和土中的蛇類用毒液害他們。
25Van buiten zal het zwaard beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jonge dochter, het zuigende kind met den grijzen man.
25外有刀劍,內有驚恐,使人喪亡,使少男少女,嬰孩和白髮老人,盡都喪亡。
26Ik zeide: In alle hoeken zoude Ik hen verstrooien; Ik zoude hun gedachtenis van onder de mensen doen ophouden;
26我原想:“我要把他們分散到各處,把他們的名號都從人間除滅。”
27Ten ware, dat Ik de toornigheid des vijands schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest; de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.
27但我懼怕仇人激動我,恐怕敵人誤會了,又恐怕他們說:“是我們的手高舉了,並不是耶和華作了這一切事。”’
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
28因為他們是缺乏計謀的國,他們心中沒有見識。
29O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.
29如果你們有智慧,就可以明白這事,認清自己將來的結局了。
30Hoe zoude een enige duizend jagen, en twee tien duizend doen vluchten, ten ware, dat hunlieder Rotssteen hen verkocht, en de HEERE hen overgeleverd had?
30如果不是他們的磐石把他們出賣了,如果不是耶和華把他們交出來,一人怎能追趕一千人,二人怎能使萬人逃跑呢?
31Want hun rotssteen is niet gelijk onze Rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde.
31連我們的仇敵也自己斷定,他們的磐石不像我們的磐石。
32Want hun wijnstok is uit den wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bezien.
32因為他們的葡萄樹,是所多瑪的葡萄樹所出的,是蛾摩拉的田地所生的;他們的葡萄是毒葡萄,每一掛都是苦的。
33Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift.
33他們的酒是大蛇的毒液,是虺蛇的劇毒。
34Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?
34這不是貯藏在我這裡,封閉在我的寶庫中嗎?
35Mijn is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten.
35等到他們失足的時候,我要伸冤報應;因為他們遭遇災難的日子近了,那預備要臨到他們身上的事,必快快臨到。
36Want de HEERE zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.
36耶和華要為自己的子民伸冤,為自己的僕人難過,因為耶和華看見他們的能力已經消逝,為奴的或自由的都沒有剩下一人。
37Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden; de rotssteen, op welken zij betrouwden?
37他必說:‘他們的神在哪裡呢?他們投靠的磐石在哪裡呢?
38Welker slachtofferen vet zij aten, welker drankofferen wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij.
38就是向來吃他們祭牲脂肪的,喝他們奠祭之酒的神在哪裡呢?讓他們興起來幫助你們吧,願他們保護你們吧!
39Ziet nu, dat Ik, Ik Die ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt!
39現在你們要知道,只有我是那一位,除我以外,並沒有別的神;我使人死,也使人活;我打傷,我也醫治;沒有人可以從我的手裡搶救出去。
40Want Ik zal Mijn hand naar den hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid!
40我向天舉手說:我活到永永遠遠;
41Indien Ik Mijn glinsterend zwaard wette, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik wraak op Mijn tegenpartijen doen wederkeren, en Mijn hateren vergelden.
41如果我磨亮了我的刀劍,如果我掌握了審判權,就必向我的仇敵伸冤,必向恨我的人報應。
42Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed des verslagenen en des gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken des vijands zijn.
42我要使我的箭飲血飲醉,就是被殺的人和被擄的人的血;我的刀劍要吃肉,就是吃仇敵長髮首領的肉。’
43Juicht, gij heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed Zijner knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen wederkeren, en verzoenen Zijn land en Zijn volk.
43列國啊,你們當與耶和華的子民一同歡呼,因為他要伸他僕人流血的冤,他要向他的仇人報復,他要救贖他的地和他的子民。”
44En Mozes kwam, en sprak al de woorden dezes lieds voor de oren des volks, hij en Hosea, de zoon van Nun.
44摩西和嫩的兒子約書亞前來,把這首詩歌的一切話都說給人民聽。
45Als nu Mozes geeindigd had al die woorden tot gans Israel te spreken;
45摩西的遺言摩西向以色列眾人說完了這一切話,
46Zo zeide hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden, die ik heden onder ulieden betuige, dat gij ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden dezer wet.
46就對他們說:“我今日警告你們的一切話,你們都要放在心上,好吩咐你們的子孫謹守遵行這律法上的一切話。
47Want dat is geen vergeefs woord voor ulieden; maar het is uw leven; en door ditzelve woord zult gij de dagen verlengen op het land, waar gij over de Jordaan naar toe gaat, om dat te erven.
47因為這不是空洞、與你們無關重要的事,而是你們的生命;藉著這事,你們在過約旦河去得為業的地上,才可以日子長久。”
48Daarna sprak de HEERE tot Mozes, op dienzelfden dag, zeggende:
48預言摩西死在尼波山上就在那一天,耶和華對摩西說:
49Klim op den berg Abarim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaan, dat Ik den kinderen Israels tot een bezitting geven zal;
49“你要上這亞巴琳山去,就是尼波山,在耶利哥對面的摩押地,觀看我賜給以色列人為業的迦南地。
50En sterf op dien berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broeder Aaron stierf op den berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd.
50你必死在你登上的山上,歸到你的族人那裡去,像你的哥哥亞倫死在何珥山上,歸到他的族人那裡去一樣。
51Omdat gijlieden u tegen Mij vergrepen hebt, in het midden der kinderen Israels, aan het twistwater te Kades, in de woestijn Zin; omdat gij Mij niet geheiligd hebt in het midden der kinderen Israels.
51因為你們在尋的曠野,在加低斯米利巴水邊,在以色列人中間悖逆我,在以色列人中間沒有尊我為聖。
52Want van tegenover zult gij dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land, dat Ik den kinderen Israels geven zal.
52我賜給以色列人的地,你可以從對面觀看,卻不得進去。”