1Wanneer u de HEERE, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaanieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan gij;
1特作 神的子民(出34:11~16)“耶和華你的 神領你進入你要去得為業的地,從你面前趕走許多民族,就是赫人、革迦撒人、亞摩利人、迦南人、比利洗人、希未人、耶布斯人,共七個比你又大又強的民族。
2En de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat gij ze slaat; zo zult gij hen ganselijk verbannen; gij zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
2耶和華你的 神把他們交給你,你打敗了他們的時候,你要完全毀滅他們,不可與他們立約,也不可恩待他們。
3Gij zult u ook met hen niet vermaagschappen; gij zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
3不可與他們通婚,不可把你的女兒嫁給他們的兒子,也不可為你的兒子娶他們的女兒。
4Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn des HEEREN zou tegen ulieden ontsteken, en u haast verdelgen.
4因為他必使你的兒子離開我,去事奉別的神,以致耶和華向你們發烈怒,就快快地把你們消滅。
5Maar alzo zult gij hun doen: hun altaren zult gij afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden.
5你們卻要這樣待他們:拆毀他們的祭壇,打碎他們的神柱,砍下他們的亞舍拉,用火焚燒他們的雕像。
6Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn.
6“因為你是歸耶和華你的 神作聖潔的子民的;耶和華你的 神從地上的萬族中,揀選了你作他自己的產業,自己的子民。
7De HEERE heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren, om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken.
7耶和華喜愛你們,揀選你們,並不是因為你們的人數比別的民族多,其實你們的人數在萬族中是最少的;
8Maar omdat de HEERE ulieden liefhad, en opdat Hij hield den eed, dien Hij uw vaderen gezworen had, heeft u de HEERE met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte.
8而是因為耶和華對你們的愛,又因為他遵守他向你們的列祖所起的誓,他才用大能的手把你們領出來,把你們從為奴之家,從埃及王法老的手裡拯救出來。
9Gij zult dan weten, dat de HEERE, uw God, die God is, die getrouwe God, welke het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten.
9所以你要知道耶和華你的 神,他是 神,是信實可靠的 神;他向愛他和守他誡命的人,守約並且施慈愛,直到千代。
10En Hij vergeldt een ieder van hen, die Hem haten, in zijn aangezicht, om hem te verderven; Hij zal het Zijn hater niet vertrekken, in zijn aangezicht zal Hij het hem vergelden.
10但向恨他的人,卻要當面報應他們,把他們滅盡;恨他的,他都要當面報應他,決不遲延。
11Houdt dan de geboden, en de inzettingen, en de rechten, die ik u heden gebiede, om die te doen.
11所以你要謹守遵行我今日吩咐你的誡命、律例和典章。
12Zo zal het geschieden, omdat gij deze rechten zult horen, en houden, en dezelve doen, dat de HEERE, uw God, u het verbond en de weldadigheid zal houden, die Hij uw vaderen gezworen heeft;
12遵行 神法典的賞賜(申28:1~14)“如果你們聽從這些典章,並且謹守遵行這一切,耶和華你的 神就必照著他向你的列祖所起的誓,向你守約並且施慈愛。
13En Hij zal u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, uw koren, en uw most, en uw olie, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee, in het land, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft u te geven.
13他必愛你,賜福與你,使你人數增多,也必在他向你的列祖起誓應許給你的地上,賜福與你身所生的,你地所產的,使你的五穀、酒、油,以及牛犢和羊羔增產。
14Gezegend zult gij zijn boven alle volken; er zal onder u noch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook niet onder uw beesten;
14你必蒙福勝過萬民;在你中間沒有不能生育的男女,也沒有不能生殖的牲畜。
15En de HEERE zal alle krankheid van u afweren, en Hij zal u geen van de kwade ziekten der Egyptenaren, die gij kent, opleggen, maar zal ze leggen op allen, die u haten.
15耶和華必使一切病症離開你;你所知埃及各種的惡疾,他決不加在你身上,卻加在一切恨你的人身上。
16Gij zult dan al die volken verteren, die de HEERE, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet verschonen, en gij zult hun goden niet dienen; want dat zoude u een strik zijn.
16耶和華你的 神交給你的所有民族,你都要把他們消滅;你的眼不可憐惜他們;你也不可事奉他們的神,因為這必成為你的網羅。
17Zo gij in uw hart zeidet: Deze volken zijn meerder dan ik; hoe zou ik hen uit de bezitting kunnen verdrijven?
17“如果你心裡說:‘這些國的人比我多,我怎能把他們趕出去呢?’
18Vreest niet voor hen; gedenkt steeds, wat de HEERE, uw God, aan Farao en aan alle Egyptenaren gedaan heeft;
18你不要怕他們,只要牢牢地記住,耶和華你的 神向法老和全埃及所行的事,
19De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, en de tekenen, en de wonderen, en de sterke hand, en den uitgestrekten arm, door welken u de HEERE uw God, heeft uitgevoerd; alzo zal de HEERE, uw God, doen aan alle volken, voor welker aangezicht gij vreest.
19就是你親眼看見的大試驗、神蹟、奇事、大能的手和伸出來的膀臂,這都是耶和華你的 神領你出來的時候使用的;耶和華你的 神也必照樣待你懼怕的所有民族。
20Daartoe zal de HEERE, uw God, ook horzelen onder hen zenden; totdat zij omkomen, die overgebleven, en voor uw aangezicht verborgen zijn.
20耶和華你的 神還要打發大黃蜂飛到他們中間,直到那些殘存躲藏起來的人,都從你面前消滅為止。
21Ontzet u niet voor hunlieder aangezicht; want de HEERE, uw God, is in het midden van u, een groot en vreselijk God.
21你不要因他們驚慌,因為耶和華你的 神是在你們中間,他是大而可畏的 神。
22En de HEERE, uw God, zal deze volken voor uw aangezicht allengskens uitwerpen; haastelijk zult gij hen niet mogen te niet doen, opdat het wild des velds niet tegen u vermenigvuldige.
22耶和華你的 神必把這些國的民,從你面前漸漸趕出去;你不可以把他們迅速地滅盡,恐怕田間的野獸多起來害你。
23En de HEERE zal hen geven voor uw aangezicht, en Hij zal hen verschrikken met grote verschrikking, totdat zij verdelgd worden.
23耶和華你的 神必把他們交在你面前,使他們大起擾亂,直到他們全被消滅。
24Ook zal Hij hun koningen in uw hand geven, dat gij hun naam van onder den hemel te niet doet; geen man zal voor uw aangezicht bestaan, totdat gij hen zult hebben verdelgd.
24他也必把他們的君王交在你的手中,你必使他們的名從天下消滅;必沒有一人能在你面前站立得住,直到你把他們都消滅了。
25De gesneden beelden van hun goden zult gij met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult gij niet begeren, noch voor u nemen, opdat gij daardoor niet verstrikt wordt; want dat is den HEERE, uw God, een gruwel.
25他們的神像,你們要用火焚燒;神像上的金銀,你不可貪愛,也不可據為己有,免得你因此陷入網羅;因為這是耶和華你的 神厭惡的。
26Gij zult dan den gruwel in uw huis niet brengen, dat gij een ban zoudt worden, gelijk datzelve is; gij zult het ganselijk verfoeien, en te enenmaal een gruwel daarvan hebben, want het is een ban.
26可厭惡的物,你不可帶進家裡去,免得你與那物一樣成了當毀滅的;你要非常憎恨它,十分厭惡它,因為這是當毀滅的物。”