1Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israels, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
1擊磐出水(民20:1~13)以色列全體會眾都照著耶和華的吩咐,一站一站,從汛的曠野起程,在利非訂安營。在那裡人民沒有水喝。
2Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?
2因此人民與摩西爭吵,說:“給我們水喝吧。”摩西對他們說:“你們為甚麼與我爭吵呢?你們為甚麼試探耶和華呢?”
3Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven?
3人民在那裡渴望得水喝,就向摩西發怨言,說:“你為甚麼把我們從埃及領上來,使我們和我們的兒女,以及我們的牲畜都渴死呢?”
4Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.
4摩西向耶和華呼求,說:“我要怎樣對待這人民呢?他們幾乎要用石頭打死我了。”
5Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israel; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.
5耶和華回答摩西:“你要到人民的面前,要帶著以色列的幾個長老和你一起,手裡要拿著你先前擊打河水的杖。
6Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israel.
6看哪,我必在何烈山那裡的磐石上站在你面前;你要擊打磐石,就必有水從磐石流出來,使人民可以喝。”摩西就在以色列的長老眼前這樣行了。
7En hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist der kinderen Israels, en omdat zij den HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet?
7他給那地方起名叫瑪撒,又叫米利巴,因為以色列人在那裡爭吵,又因為他們試探耶和華,說:“耶和華是不是在我們中間呢?”
8Toen kwam Amalek en streed tegen Israel in Rafidim.
8與亞瑪力人作戰那時亞瑪力人來了,在利非訂和以色列人爭戰。
9Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.
9摩西對約書亞說:“你要為我們選出人來,出去和亞瑪力人爭戰;明天我要站在山頂上,手裡拿著 神的杖。”
10Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aaron en Hur klommen op de hoogte des heuvels.
10於是,約書亞照著摩西吩咐他的行了,去和亞瑪力人爭戰;摩西、亞倫和戶珥都上了山頂。
11En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israel de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste.
11摩西舉起手來的時候,以色列人就得勝;摩西把手放下來的時候,亞瑪力人就得勝。
12Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aaron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, en ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.
12可是摩西的兩手疲乏了,他們就搬塊石頭來,放在摩西下面,他就坐在上面;亞倫和戶珥,一邊一個,扶著摩西的兩手;這樣,他的兩手就穩住,直到日落的時候。
13Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte des zwaards.
13約書亞用刀打敗了亞瑪力王和他的人民。
14Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.
14耶和華對摩西說:“我要把亞瑪力的名號從天下完全抹掉;你要把話寫在書上作記念,也要告訴約書亞。”
15En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: De HEERE is mijn Banier!
15摩西築了一座祭壇,給它起名叫“耶和華尼西”。
16En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des HEEREN is, zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!
16摩西又說:“向耶和華的旌旗舉手,耶和華必世世代代和亞瑪力人爭戰。”