1Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Farao, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.
1蛙災耶和華對摩西說:“你到法老那裡去,對他說:‘耶和華這樣說:“讓我的人民離開這裡,使他們可以事奉我。
2En indien gij het weigert te laten trekken, zie, zo zal Ik uw ganse landpale met vorsen slaan;
2如果你拒絕讓他們離開這裡,看哪,我必用青蛙擊打你的全境。
3Dat de rivier van vorsen zal krielen, die zullen opkomen, en in uw huis komen, en in uw slaapkamer, ja, op uw bed; ook in de huizen uwer knechten, en op uw volk, en in uw bakovens, en in uw baktroggen.
3河裡必滋生青蛙;青蛙必上來,進到你的宮殿和臥房裡去,跳上你的床,進你臣僕的房屋,跳上你人民的身上,進你的爐子和摶麵盆。
4En de vorsen zullen opkomen, op u, en op uw volk, en op al uw knechten.
4青蛙也必跳上你、你的人民和臣僕的身上。”’”(本章第1~4節在《馬索拉抄本》為7:26~29)
5Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aaron: Strek uw hand uit met uw staf, over de stromen, en over de rivieren, en over de poelen; en doe vorsen opkomen over Egypteland.
5耶和華對摩西說:“你要對亞倫說把手中的杖伸在江、河、池之上,使青蛙上到埃及地來。”(本節在《馬索拉抄本》為8:1)
6En Aaron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen vorsen op en bedekten Egypteland.
6亞倫把手一伸在埃及的眾水之上,青蛙就上來了,並且遮蓋了埃及地。
7Toen deden de tovenaars ook alzo, met hun bezweringen; en zij deden vorsen over Egypteland opkomen.
7眾術士也用他們的巫術照樣行了,使青蛙上了埃及地來。
8En Farao riep Mozes en Aaron, en zeide: Bidt vuriglijk tot den HEERE, dat Hij de vorsen van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij den HEERE offeren.
8法老把摩西和亞倫召了來,說:“請你們懇求耶和華,好叫他使青蛙離開我和我的人民,我就必讓這人民離開這裡,使他們可以向耶和華獻祭。”
9Doch Mozes zeide tot Farao: Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uw knechten, en voor uw volk, vuriglijk bidden, om deze vorsen van u en van uw huizen te verdelgen, dat zij alleen in de rivier overblijven?
9摩西回答法老:“請指示,我要在甚麼時候為你和你的臣僕,以及你的人民,懇求耶和華除滅青蛙,使青蛙離開你和你的宮殿,只留在河裡呢?”
10Hij dan zeide: Tegen morgen. En hij zeide: Het zij naar uw woord, opdat gij weet, dat er niemand is, gelijk de HEERE, onze God.
10法老說:“明天。”摩西回答:“就照著你的話行吧,好叫你知道沒有神像耶和華我們的 神。
11Zo zullen de vorsen van u, en van uw huizen, en van uw knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven.
11青蛙必離開你和你的宮殿、你的臣僕和你的人民,只留在河裡。”
12Toen ging Mozes en Aaron uit van Farao; en Mozes riep tot den HEERE, ter oorzake der vorsen, die Hij Farao had opgelegd.
12於是,摩西和亞倫離開法老走了出來;摩西為了耶和華加在法老身上青蛙的災害向耶和華呼求。
13En de HEERE deed naar het woord van Mozes; en de vorsen stierven, uit de huizen, uit de voorzalen, en uit de velden.
13耶和華就照著摩西的話行了;在房屋裡、院子裡和田野中的青蛙都死了。
14En zij vergaderden ze samen bij hopen, en het land stonk.
14有人把青蛙一堆一堆積聚起來,那地就發臭了。
15Toen nu Farao zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk als de HEERE gesproken had.
15法老一見災禍平息了,就心裡剛硬,不肯聽他們的話,就像耶和華所說的。
16Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aaron: Strek uw staf uit, en sla het stof der aarde, dat het tot luizen worde, in het ganse Egypteland.
16虱災耶和華對摩西說:“你要對亞倫說:‘伸出你的手杖,擊打地上的塵土,使塵土在埃及全地都變成虱子。’”
17En zij deden alzo; want Aaron strekte zijn hand uit met zijn staf, en sloeg het stof der aarde, en er werden vele luizen aan de mensen, en aan het vee; al het stof der aarde werd luizen, in het ganse Egypteland.
17他們就這樣行了;亞倫伸出手中的杖,擊打地上的塵土,就在人身上和牲畜身上有了虱子;埃及全地所有地上的塵土都變成了虱子。
18De tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten; doch zij konden niet; zo waren de luizen aan de mensen, en aan het vee.
18眾術士也用他們的巫術照樣行,要生出虱子來,卻不能辦到;所以在人身上和牲畜身上都有虱子。
19Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Doch Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.
19眾術士就對法老說:“這是 神的手指頭。”法老卻心裡剛硬,不肯聽摩西和亞倫,就像耶和華所說的。
20Verder zeide de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht; zie, hij zal aan het water uitgaan, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen;
20蠅災耶和華對摩西說:“你要清早起來,站在法老面前;看哪,法老到水邊來的時候,你要對他說:‘耶和華這樣說:你要讓我的人民離開這裡,使他們可以事奉我。
21Want zo gij Mijn volk niet laat trekken, zie, zo zal Ik een vermenging van ongedierte zenden op u, en op uw knechten, en op uw volk, en in uw huizen; alzo dat de huizen der Egyptenaren met deze vermenging zullen vervuld worden, en ook het aardrijk, waarop zij zijn.
21如果你不讓我的人民離開這裡,看哪,我必叫蒼蠅落在你和你臣僕,以及人民的身上,進到你的宮殿;埃及人的房屋都必充滿蒼蠅,他們所在的地方也是這樣。
22En Ik zal te dien dage het land Gosen, waarin Mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat gij weet, dat Ik, de HEERE, in het midden dezes lands ben.
22那日,我必把我人民居住的地方歌珊分別出來,使那裡沒有蒼蠅,為要使你知道在全地上只有我是耶和華。
23En Ik zal een verlossing zetten tussen Mijn volk en tussen uw volk; tegen morgen zal dit teken geschieden!
23我必把我的人民和你的人民分別出來,明天必有這神蹟。’”
24En de HEERE deed alzo; en er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Farao, en in de huizen van zijn knechten, en over het ganse Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging.
24耶和華就這樣行了;無數的蒼蠅進了法老的宮殿和他臣僕的房屋,並且遍布埃及全地;那地就因為蒼蠅的緣故毀壞了。
25Toen riep Farao Mozes en Aaron, en zeide: Gaat heen, en offert uwen God in dit land.
25法老把摩西和亞倫召了來,對他們說:“你們去,在這地獻祭給你們的 神吧。”
26Mozes dan zeide: Het is niet recht, dat men alzo doe; want wij zouden der Egyptenaren gruwel den HEERE, onzen God, mogen offeren; zie, indien wij der Egyptenaren gruwel voor hun ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen?
26摩西回答:“決不可以這樣行,因為我們要把埃及人看為可憎的祭物獻給耶和華我們的 神;如果我們把埃及人看為可憎的祭物在他們眼前獻上,難道他們不拿石頭打死我們嗎?
27Laat ons den weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij den HEERE onzen God offeren, gelijk Hij tot ons zeggen zal.
27我們要走三天的路程進到曠野,好照著耶和華吩咐我們的,向耶和華我們的 神獻祭。”
28Toen zeide Farao: Ik zal u trekken laten, dat gijlieden den HEERE, uwen God, offert in de woestijn; alleen, dat gijlieden in het gaan geenszins te verre trekt! Bidt vuriglijk voor mij.
28法老回答:“我必讓你們離開這裡,你們可以在曠野獻祭給耶和華你們的 神,只是你們不可走得太遠;請你們為我祈禱。”
29Mozes nu zeide: Zie, ik ga van u, en zal tot den HEERE vuriglijk bidden, dat deze vermenging van ongedierte van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk morgen wegwijke! Alleen, dat Farao niet meer bedriegelijk handele, dit volk niet latende gaan, om den HEERE te offeren.
29摩西說:“看哪,我要離開你出去,祈求耶和華,使蒼蠅明天可以離開法老和法老的臣僕,以及法老的人民,只是不可再行欺騙,不讓以色列人離開這裡去獻祭給耶和華。”
30Toen ging Mozes uit van Farao, en bad vuriglijk tot den HEERE.
30於是,摩西從法老那裡出來,去祈求耶和華。
31En de HEERE deed naar het woord van Mozes, en de vermenging van ongedierte week van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk; er bleef niet een over.
31耶和華就照著摩西的話行了,使蒼蠅離開了法老和他的臣僕,以及他的人民,連一隻也沒有留下。
32Doch Farao verzwaarde zijn hart ook op ditmaal, en hij liet het volk niet trekken.
32可是,這一次法老還是心裡剛硬,不肯讓以色列人離開。