1En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura.
1亞伯拉罕娶基土拉(代上1:32~33)亞伯拉罕又娶了一個妻子,名叫基土拉。
2En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.
2基土拉給他生了心蘭、約珊、米但、米甸、伊施巴和書亞。
3En Joksan gewon Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten.
3約珊生了示巴和底但,而底但的子孫是亞書利人、利都示人和利烏米人。
4En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Deze allen waren zonen van Ketura.
4米甸的兒子是以法、以弗、哈諾、亞比大和以勒大。這些人都是基土拉的子孫。
5Doch Abraham gaf aan Izak al wat hij had.
5亞伯拉罕把自己一切所有的都給了以撒。
6Maar aan de zonen der bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten.
6亞伯拉罕把禮物分給他庶出的眾子,在自己還活著的時候,就打發他們離開他的兒子以撒,向東面行,往東方的地去。
7Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren.
7亞伯拉罕逝世亞伯拉罕一生的年日是一百七十五歲。
8En Abraham gaf den geest en stierf, in goede ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.
8亞伯拉罕壽高年老,享盡天年,氣絕而死,歸到他的先人那裡去了。
9En Izak en Ismael, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamre is;
9他的兒子以撒和以實瑪利把他埋葬在麥比拉洞裡。這洞是在幔利前面,赫人瑣轄的兒子以弗崙的田間,
10In den akker, dien Abraham van de zonen Heths gekocht had, daar is Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw.
10就是亞伯拉罕從赫人那裡買來的那塊田。亞伯拉罕和他的妻子撒拉都埋葬在那裡。
11En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij de put Lachai-Roi.
11亞伯拉罕死後, 神賜福給他的兒子以撒;那時,以撒住在庇耳.拉海.萊附近。
12Dit nu zijn de geboorten van Ismael, den zoon van Abraham, dien Hagar, de Egyptische, dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft.
12以實瑪利的後代(代上1:28~31)以下是撒拉的婢女埃及人夏甲,給亞伯拉罕所生的兒子以實瑪利的後代。
13En dit zijn de namen der zonen van Ismael, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismael, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,
13以實瑪利的眾子,按著他們的家譜,名字如下:以實瑪利的長子是尼拜約,其次是基達、押德別、米比衫、
14En Misma, en Duma, en Massa,
14米施瑪、度瑪、瑪撒、
15Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma.
15哈達、提瑪、伊突、拿非施和基底瑪。
16Deze zijn de zonen van Ismael, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hun volken.
16這些都是以實瑪利的兒子。他們的村莊和營地都按著他們的名字命名;他們作了十二族的族長。
17En dit zijn de jaren des levens van Ismael, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf den geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken.
17以實瑪利一生的歲數,是一百三十七歲;他氣絕而死,歸到他的先人那裡去了。
18En zij woonden van Havila tot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, daar gij gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broederen.
18他的子孫住在哈腓拉直到埃及東面的書珥,通往亞述的道上。以實瑪利卻住在自己眾兄弟的東面。
19Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak.
19以撒的後代以下是亞伯拉罕的兒子以撒的後代。亞伯拉罕生以撒。
20En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Betuel, den Syrier, uit Paddan-Aram, de zuster van Laban, den Syrier, zich ter vrouw nam.
20以撒娶利百加為妻的時候,正四十歲。利百加是巴旦.亞蘭地、亞蘭人彼土利的女兒,是亞蘭人拉班的妹妹。
21En Izak bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en de HEERE liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd.
21以撒因為自己的妻子不生育,就為她懇求耶和華。耶和華應允了他,他的妻子利百加就懷了孕。
22En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om den HEERE te vragen.
22雙胎在她腹中彼此碰撞,她就說:“若是這樣,我為甚麼活著呢?”她就去求問耶和華。
23En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natien zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.
23耶和華回答她:“兩國在你肚裡,兩族從你腹中要分出來;將來這族必強過那族,大的要服事小的。”
24Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.
24到了生產的時候,她肚腹中果然是一對雙生子。
25En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau.
25先出來的,全身赤紅有毛,像毛衣一樣,他們就給他起名叫以掃。
26En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.
26隨後,他的弟弟也出來了,他的手抓住以掃的腳跟,因此就給他起名叫雅各。利百加生下兩個兒子的時候,以撒年正六十歲。
27Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht, een veldman; maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten.
27以掃出賣長子名分兩個孩子漸漸長大;以掃善於打獵,喜歡生活在田野;雅各為人安靜,常常住在帳棚裡。
28En Izak had Ezau lief; want het wildbraad was naar zijn mond; maar Rebekka had Jakob lief.
28以撒愛以掃,因為他常吃以掃的野味;利百加卻愛雅各。
29En Jakob had een kooksel gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moede.
29有一次,雅各正在煮豆湯的時候,以掃從田野回來,疲乏得很。
30En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom.
30以掃對雅各說:“求你把這紅豆湯給我喝吧,因為我疲乏得很。”因此,以掃的名字又叫以東。
31Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte.
31雅各說:“你要先把你的長子名分賣給我。”
32En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?
32以掃說:“我快要死了,這長子名分對我有甚麼益處呢?”
33Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte.
33雅各說:“你先向我起誓吧。”以掃就向他起了誓,把自己的長子名分賣給雅各。
34En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.
34於是,雅各把餅和紅豆湯給了以掃;以掃吃了,喝了,就起來走了。以掃就這樣輕看了他的長子名分。