1Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.
1雅各作好準備與以掃相見雅各繼續他的路程, 神的眾使者遇見他。(本節在《馬索拉抄本》為32:2)
2En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim.
2雅各看見他們,就說:“這是 神的軍隊。”於是給那地方起名叫瑪哈念。
3En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom.
3雅各先派使者到西珥地,就是以東的地區,他的哥哥以掃那裡去,
4En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd;
4吩咐他們說:“你們要對我主以掃這樣說:‘你的僕人雅各這樣說:我在拉班那裡寄居,一直到現在。
5En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen.
5我擁有牛、驢、羊群、僕婢,現在派人來報告我主,希望得到你的歡心。’”
6En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.
6使者回到雅各那裡說:“我們到了你哥哥以掃那裡,他帶著四百人,正迎著你來。”
7Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;
7雅各感到非常懼怕和焦慮,就把隨行的人、羊群、牛群和駱駝,分成兩隊,
8Want hij zeide: Indien Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen.
8心裡想:“即使以掃來擊殺這一隊,餘下的一隊還可以逃脫。”
9Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o HEERE! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen!
9雅各說:“耶和華,我祖亞伯拉罕的 神,我父以撒的 神啊,你曾經對我說過:‘回到你自己的故鄉,到你的親族那裡去,我必厚待你。’
10Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!
10你向你僕人所施的一切慈愛和信實,我實在不配得。從前我只拿著我的手杖過這約旦河;現在我卻擁有這兩隊人馬了。
11Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!
11求你救我脫離我哥哥以掃的手,因為我怕他來擊殺我,連母親和孩子也擊殺了。
12Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!
12你曾經說過:‘我必厚待你,使你的後裔好像海邊的沙一樣,多到不可勝數。’”
13En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder;
13那天晚上,雅各在那裡過夜。然後從他所擁有的牲畜中,取出一部分,作為給他哥哥以掃的禮物,
14Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;
14就是母山羊二百隻、公山羊二十隻、母綿羊二百隻、公綿羊二十隻、
15Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.
15哺乳的母駱駝三十匹,各帶著駒子,母牛四十頭、公牛十頭、母驢二十頭、公驢十頭。
16En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde.
16雅各把這些分成一隊一隊,交在僕人的手裡,又對僕人說:“你們先過去,每隊之間要留一段距離。”
17En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijn deze voor uw aangezicht?
17他又吩咐走在最前的僕人說:“我哥哥以掃遇見你的時候,如果問你:‘你的主人是誰?你要到哪裡去?在你前面的這些牲畜是誰的?’
18Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons!
18你就要回答:‘是你僕人雅各的,是送給我主以掃的禮物,他自己也在我們後面。’”
19En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vinden zult.
19他又吩咐第二個、第三個和所有跟在隊伍後面的人說:“你們遇見以掃的時候,都要這樣對他說。
20En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.
20你們還要說:‘你的僕人雅各在我們後面。’”因為他心裡想:“我先送禮物去,藉此與他和解,然後再與他見面,或者他會原諒我。”
21Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hijzelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger.
21於是禮物先過去了;那天晚上雅各在營中過夜。
22En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok.
22雅各那夜起來,帶著他的兩個妻子、兩個婢女和十一個孩子,都過了雅博渡口。
23En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had.
23雅各與天使摔角他帶著他們,先打發他們過河,然後又打發他所有的都過去。
24Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.
24只留下雅各一人,有一個人來與他摔角,直到天快亮的時候。
25En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde.
25那人見自己不能勝過他,就在他的大腿窩上打了一下。於是,雅各與那人摔角的時候,大腿窩脫了節。
26En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
26那人說:“天快亮了,讓我走吧。”雅各說:“如果你不給我祝福,我就不讓你走。”
27En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob.
27雅各獲勝之後改名以色列那人問他:“你叫甚麼名字?”他回答:“雅各。”
28Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israel; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.
28那人說:“你的名字不要再叫雅各,要叫以色列,因為你與 神與人較力,都得了勝。”
29En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar.
29雅各問他,說:“請把你的名告訴我。”那人回答:“為甚麼問我的名呢?”他就在那裡給雅各祝福。
30En Jakob noemde den naam dier plaats Pniel: Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.
30於是,雅各給那地方起名叫毗努伊勒,意思說:“我面對面看見了 神,我的性命仍得保全。”
31En de zon rees hem op, als hij door Pniel gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.
31雅各經過毗努伊勒的時候,太陽剛剛出來,照在他身上。他因為大腿的傷,跛腳行走。
32Daarom eten de kinderen Israels de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.
32因此,以色列人直到現在都不吃大腿窩上的筋,因為那人在雅各的大腿窩上的筋打了一下。