1Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten.
1假神與真神的分別彼勒俯伏,尼波彎腰;巴比倫人的偶像馱在走獸和牲口上。你們所抬的現在都成了重擔,成了疲乏的牲畜身上的重負。
2Samen zijn zij nedergebogen, zij zijn gekromd, zij hebben den last niet kunnen redden, maar zijzelven zijn in de gevangenis gegaan.
2它們一同彎腰、俯伏,不能保護重負,它們自己反倒被擄去了。
3Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israels! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af.
3“雅各家啊,以色列家所有餘剩的人哪!你們都要聽我的話,你們自出母腹,就蒙我懷抱;自出母胎,就蒙我提攜。
4En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.
4直到你們年老,我還是一樣;直到你們髮白,我仍然懷抱你。我以前既然這樣作了,以後我仍必提攜你;我必懷抱你,也必拯救你。
5Wien zoudt gijlieden Mij nabeelden, en evengelijk maken, en Mij vergelijken, dat wij elkander gelijken zouden?
5你們要把誰與我相比,誰與我相似呢?你們把誰與我比較,好使我們同等呢?
6Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de waag; zij huren een goudsmid, en die maakt het tot een god, zij knielen neder, ook buigen zij zich daarvoor.
6那些從錢袋倒出金子,用天平稱銀子的人,雇用金匠製造神像;他們向神像又俯伏又叩拜。
7Zij nemen hem op den schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.
7他們把神像抬起來,扛在肩頭上,然後把它安置在固定的地方,它就立在那裡,總不離開它的本位。雖然有人向它呼求,它也不能回答;它也不能救人脫離患難。
8Gedenkt hieraan, en houdt u kloekelijk, brengt het weder in het hart, o gij overtreders!
8 神言出必行“你們當記念這事,要堅定不移;悖逆的人哪!你們要留心思想。
9Gedenkt der vorige dingen van oude tijden af, dat Ik God ben, en er is geen God meer, en er is niet gelijk Ik;
9你們當記念上古以前的事,因為我是 神,再沒有別的神;我是 神,沒有神像我。
10Die van den beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen.
10我從起初就宣告末後的事,從古時就述說還未作成的事,說:‘我的計劃必定成功,我所喜悅的,我都必作成。’
11Die een roofvogel roept van het oosten, een man Mijns raads uit verren lande; ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen opkomen; Ik heb het geformeerd, Ik zal het ook doen.
11我把鷙鳥從日出之地召來,就是把成就我計劃的人從遠方召來。我不但說了,而且也要使我的話實現;我不但計劃好了,而且也必實行。
12Hoort naar Mij, gij stijven van harte, gij, die verre van de gerechtigheid zijt!
12心裡頑固的人哪!遠離公義的人哪!你們要聽我。
13Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israel Mijn heerlijkheid.
13我使我的公義臨近了,必不遠離;我的救恩必不遲延。我要為以色列,我的榮耀,在錫安施行拯救。”