1De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad.
1以色列拜偶像受譴責義人死亡,沒有人放在心上;虔誠人去世,也沒有人明白;義人去世,是脫離了禍患。
2Hij zal ingaan in den vrede; zij zullen rusten op hun slaapsteden, een iegelijk, die in zijn oprechtheid gewandeld heeft.
2行事為人正直的,死後必得進入平安,在他們的墳墓裡享安息。
3Doch nadert gijlieden hier toe, gij kinderen der guichelares! gij overspelig zaad, en gij, die hoererij bedrijft!
3但你們這些巫婦的兒子,姦夫和妓女的後裔啊!你們都走近這裡行姦淫吧!
4Over wien maakt gij u lustig, over wien spert gij den mond wijd open en steekt de tong lang uit? Zijt gij niet kinderen der overtreding, een zaad der valsheid?
4你們戲弄誰呢?你們張大嘴巴,伸長舌頭戲弄誰呢?你們不是悖逆的孩子嗎?不是虛謊的後裔嗎?
5Die hittig zijt in de eikenbossen, onder allen groenen boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken der steenrotsen.
5你們在橡樹林中,在青翠樹下慾火焚心;在山谷間,在巖穴裡,宰殺自己的孩子作祭牲。
6Aan de gladde stenen der beken is uw deel, die, die zijn uw lot; ook stort gij denzelven drankoffer uit, gij offert hun spijsoffer; zou Ik Mij over deze dingen troosten laten?
6在山谷中光滑的石頭裡有你的分;只有它們是你所要得的分!你也向它們澆了奠祭,獻上了供物。這些事我豈能容忍不報復呢?
7Gij stelt uw leger op een hogen en verhevenen berg; ook klimt gij derwaarts op, om slachtoffer te offeren.
7你在高高的山上安設你的床榻,又上到那裡去獻祭。
8En achter de deur en posten zet gij uw gedenkteken; want van Mij wijkende ontdekt gij u, en klimt op; gij maakt uw leger wijd, en maakt u een verbond met enigen uit dezelve, gij hebt hun leger lief in elke plaats, die gij ziet.
8你在門後,在門框後,安設了外族神的記號;你遠離了我,裸露了自己,就上床去,又擴張你的床,你也與他們立約;你愛他們的床,看他們的下體(“下體”原文作“手”)。
9En gij trekt met olie tot den koning, en gij vermenigvuldigt uw welriekende zalven; en gij zendt uw gezanten verre weg, en vernedert u tot de hel toe.
9你帶著油走到君王那裡,並且加多了你的香料,差派使者到遠方去,你甚至自己下到陰間去!
10Gij zijt vermoeid door uw grote reis, maar gij zegt niet: Het is buiten hoop; gij hebt het leven uwer hand gevonden, daarom wordt gij niet ziek.
10你因路途遙遠而困乏,卻不說:“沒有希望了!”因為你找著了生命的力量,所以你不覺得疲倦。
11Maar voor wien hebt gij geschroomd of gevreesd? Want gij hebt gelogen, en zijt Mijner niet gedachtig geweest, gij hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, om dat Ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest Mij niet?
11你怕誰?你因誰而懼怕,以致你對我說謊呢?你不記念我,也不把我放在心上,是不是因為我長久緘默,你就不懼怕我呢?
12Ik zal uw gerechtigheid bekend maken, en uw werken, dat zij u geen nut doen zullen.
12我要說明你的公義和你所作的,但它們都必與你無益。
13Wanneer gij roepen zult, zo laat die, die van u vergaderd zijn, u redden; doch de wind zal hen allen wegvoeren, de ijdelheid zal hen wegnemen. Maar die op Mij betrouwt, die zal het aardrijk erven, en Mijn heiligen berg erfelijk bezitten.
13你呼求的時候,讓你所收集的偶像拯救你吧!但一陣風要把它們全都颳走,一口氣要把它們全部吹去。然而那投靠我的,必承受地土,得著我的聖山作產業。
14En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt den weg, neemt den aanstoot uit den weg Mijns volks.
14謙卑者與作惡者的分別必有人說:“你們要填高,要填高,要修平道路;把障礙物從我子民的路上除掉。”
15Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.
15因為那至高無上、永遠存在、他名為聖的這樣說:“雖然我住在至高至聖的地方,卻與心靈痛悔和謙卑的人同在,要使謙卑人的靈甦醒,也使痛悔人的心甦醒。
16Want Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb.
16我必不永遠爭辯,也不長久發怒,因為這樣,人的靈,就是我所造的人,在我面前就要發昏。
17Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was verbolgen; evenwel gingen zij afkerig henen in den weg huns harten.
17因他貪婪的罪孽,我發怒了;我擊打他,向他掩面,並且發怒,他仍然隨著自己的心意背道。
18Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hun treurigen.
18他的道路,我看見了,我卻要醫治他,引導他,把安慰賞賜他和他的哀悼者。
19Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede dengenen, die verre zijn, en dengenen, die nabij zijn, zegt de HEERE, en Ik zal hen genezen.
19我創造嘴唇的果子:平安,平安,歸給遠處的人,也歸給近處的人。”耶和華說:“我要醫治他。”
20Doch de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op.
20惡人卻像翻騰的海,不能平靜,海中的水不住翻起污穢和淤泥來。
21De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.
21我的 神說:“惡人必沒有平安。”