1Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen.
1耶和華的得勝那從以東、從波斯拉而來,身穿赤紅色的衣服,裝扮華麗、能力強大、大步前行的,是誰呢?“就是我,是憑著公義說話,有大能拯救的。”
2Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt?
2你的服裝為甚麼有紅色的呢?你的衣服為甚麼像個踹壓酒池的人的衣服一樣呢?
3Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn klederen, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.
3“我獨自踹酒槽;萬民之中沒有一人與我同在;我在忿怒中把他們踹下,在烈怒中把他們踐踏;他們的血濺在我的衣服上,我把我所有的衣裳都染污了。
4Want de dag der wraak was in Mijn hart, en het jaar Mijner verlosten was gekomen.
4因為報仇的日子早已在我的心裡,我救贖的年日早已經來到。
5En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid heeft Mij ondersteund,
5我觀看,但沒有人幫助;我詫異,因沒有人扶持;所以我用自己的膀臂為我施行了拯救,我的烈怒扶持了我,
6En Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid; en Ik heb hun kracht ter aarde doen nederdalen.
6我在忿怒中踐踏萬民,在烈怒中使他們沉醉,又把他們的血倒在地上。”
7Ik zal de goedertierenheden des HEEREN vermelden, den veelvoudigen lof des HEEREN, naar alles, wat de HEERE ons heeft bewezen, en de grote goedigheid aan het huis van Israel, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid Zijner goedertierenheden.
7 神善待以色列我照著耶和華為我們所作的一切,提說耶和華的慈愛,耶和華可稱頌的事,和他賜給以色列家的大福,就是照著他的憐憫和豐盛的慈愛為他們作成的。
8Want Hij zeide: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen, die niet liegen zullen? Alzo is Hij hun geworden tot een Heiland.
8他曾說:“他們真是我的子民,不行虛假的兒子”,於是,在他們的一切苦難中,他就作了他們的拯救者。
9In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel Zijns aangezichts heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds.
9他不再是敵對者,並且他面前的使者拯救了他們。他以自己的愛和憐憫救贖了他們;在古時的一切日子,他背負他們,懷抱他們。
10Maar zij zijn wederspannig geworden, en zij hebben Zijn Heiligen Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.
10可是,他們竟然悖逆,使他的聖靈憂傷;所以他轉作他們的仇敵,親自攻擊他們。
11Nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij, Die hen uit de zee opgebracht heeft, met de herders Zijner kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heiligen Geest in het midden van hen stelde?
11那時,他們想起古時的日子,就是摩西和他的人民的日子,說:那把人民和他羊群的牧者從海裡領上來的,在哪裡呢?那把自己的聖靈降在他們中間的,在哪裡呢?
12Die den arm Zijner heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; Die de wateren voor hunlieder aangezichten kliefde opdat Hij Zich een eeuwigen Naam maakte?
12那使自己榮耀的膀臂在摩西的右邊行走,那在他們面前把水分開,為要建立永遠的名的,他在哪裡呢?
13Die hen leidde door de afgronden; als een paard in de woestijn, struikelden zij niet.
13那帶領他們走過深海,像馬走過曠野一樣,使他們不致跌倒的,在哪裡呢?
14Gelijk een beest, dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest des HEEREN rust gegeven. Alzo hebt Gij Uw volk geleid, opdat Gij U een heerlijken Naam zoudt maken.
14耶和華的靈使他們得了安息,好像牲畜下到山谷;你也這樣引導你的人民,為要建立榮耀的名。
15Zie van den hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en Uwer barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in.
15求主垂顧求你從天上垂顧,從你聖潔、榮耀的居所觀看。你的熱心和你的大能在哪裡呢?你愛心的同情和憐憫向我止住了。
16Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israel kent ons niet; Gij, o HEERE! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam.
16亞伯拉罕雖然不認識我們,以色列也不承認我們,但你是我們的父。耶和華啊!你是我們的父,從亙古以來,你的名字就是“我們的救贖主”。
17HEERE! waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen Uws erfdeels.
17耶和華啊!你為甚麼使我們走錯,離開你的道路?使我們的心剛硬,不敬畏你呢?求你為你眾僕人的緣故,為你產業的各支派的緣故,回心轉意吧!
18Uw heilig volk heeft het maar een weinig tijds bezeten; onze wederpartijders hebben Uw heiligdom vertreden.
18你的聖民不過暫時得著你的聖所,我們的敵人已經踐踏了你的聖所。
19Wij zijn geworden als die, over welke Gij van ouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd.
19我們成了好像你從未治理過的人,又像未曾得稱為你名下的人。