1En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Beth-fage, aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen:
1騎驢進耶路撒冷(可11:1~10;路19:28~38;約12:12~15)耶穌和門徒走近耶路撒冷,來到橄欖山的伯法其那裡。耶穌派了兩個門徒,
2Gaat heen in het vlek, dat tegen u over ligt, en gij zult terstond een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij.
2對他們說:“你們往對面的村子裡去,立刻就會看見一頭驢拴在那裡,還有小驢跟牠在一起。把牠們解開,牽來給我。
3En indien u iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze van node heeft, en hij zal ze terstond zenden.
3如果有人問你們,就要說:‘主需要牠們。’他會立刻讓你們牽走。”
4Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende:
4這件事應驗了先知所說的:
5Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong ener jukdragende ezelin.
5“要對錫安的居民(“居民”原文作“女子”)說:‘看哪,你的王來到你這裡了;他是溫柔的,他騎著驢,騎的是小驢。’”
6En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had,
6門徒照著耶穌的吩咐去作。
7Brachten de ezelin en het veulen, en legden hun klederen op dezelve, en zetten Hem daarop.
7牽了驢和小驢來,把衣服搭在牠們上面,耶穌就騎上。
8En de meeste schare spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op den weg.
8有一大群人把自己的衣服鋪在路上,也有人從樹上把樹枝砍下來,鋪在路上。
9En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!
9前呼後擁的群眾喊叫著:“‘和散那’歸於大衛的子孫,奉主名來的是應當稱頌的,高天之上當唱‘和散那’。”
10En als Hij te Jeruzalem inkwam, werd de gehele stad beroerd, zeggende: Wie is Deze?
10耶穌進了耶路撒冷,全城都震動起來,他們問:“這人是誰?”
11En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galilea.
11大家都說:“這就是那先知耶穌,是從加利利的拿撒勒來的。”
12En Jezus ging in den tempel Gods, en dreef uit allen, die verkochten en kochten in den tempel, en keerde om de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten.
12潔淨聖殿(可11:15~19;路19:45~47;約2:13~22)耶穌進了聖殿,把殿裡所有作買賣的人趕走,並推倒找換銀錢的人的桌子,和賣鴿子的人的凳子;
13En Hij zeide tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt.
13又對他們說:“經上記著:‘我的殿要稱為禱告的殿。’你們竟把它弄成賊窩了。”
14En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in den tempel, en Hij genas dezelve.
14殿裡的瞎子和瘸腿的都走過來,耶穌就醫好他們。
15Als nu de overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderheden, die Hij deed, en de kinderen, roepende in den tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk;
15祭司長和經學家看見耶穌所行的奇事,又看見小孩子在殿中喊叫“‘和散那’歸於大衛的子孫”,就很忿怒,
16En zeiden tot Hem: Hoort Gij wel, wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid?
16對耶穌說:“你聽見他們說甚麼嗎?”耶穌說:“我聽見了。‘你從小孩和嬰兒的口中,得著了讚美。’這話你們沒有念過嗎?”
17En hen verlatende, ging Hij van daar uit de stad, naar Bethanie, en overnachtte aldaar.
17於是離開他們,出了城,來到伯大尼,在那裡過了一夜。
18En des morgens vroeg, als Hij wederkeerde naar de stad, hongerde Hem.
18咒詛無花果樹(可11:12~14、20~24)耶穌清早回城的時候,覺得餓了。
19En ziende, een vijgeboom aan den weg, ging Hij naar hem toe, en vond niets aan denzelven, dan alleenlijk bladeren; en zeide tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde terstond.
19他看見路旁有一棵無花果樹,就走過去;但他在樹上甚麼也找不到,只有葉子,就對樹說:“你永遠不再結果子了。”那棵樹就立刻枯萎。
20En de discipelen, dat ziende, verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zo terstond verdord?
20門徒看見了,十分驚奇,說:“這棵無花果樹是怎樣立刻枯萎的呢?”
21Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij geloof hadt, en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleenlijk doen, hetgeen den vijgeboom is geschied; maar indien gij ook tot deze berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou geschieden.
21耶穌回答他們:“我實在告訴你們,如果你們有信心,不懷疑,不但能作我對無花果樹所作的,就是對這座山說‘移開,投到海裡去’,也必成就。
22En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.
22你們禱告,無論求甚麼,只要相信,都必得著。”
23En als Hij in den tempel gekomen was, kwamen tot Hem, terwijl Hij leerde, de overpriesters en de ouderlingen des volks, zeggende: Door wat macht doet Gij deze dingen? En Wie heeft U deze macht gegeven?
23質問耶穌憑甚麼權柄作事(可11:27~33;路20:1~8)耶穌進了聖殿,正在教導人的時候,祭司長和民間的長老前來問他:“你憑甚麼權柄作這些事?誰給你這權柄?”
24En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, hetwelk indien gij Mij zult zeggen, zo zal Ik u ook zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe.
24耶穌回答他們:“我也要問你們一句話,如果你們告訴我,我就告訴你們我憑甚麼權柄作這些事。
25De doop van Johannes, van waar was die, uit de hemel, of uit de mensen? En zij overlegden bij zichzelven en zeiden: Indien wij zeggen: Uit de hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?
25約翰的洗禮是從哪裡來的呢?是從天上來的,還是從人來的呢?”他們就彼此議論:“如果我們說‘是從天上來的’,他會問我們‘那你們為甚麼不信他呢?’
26En indien wij zeggen: Uit de mensen: zo vrezen wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een profeet.
26如果我們說‘是從人來的’,我們又怕群眾,因為他們都認為約翰是先知。”
27En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. En Hij zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe.
27於是回答耶穌:“我們不知道。”耶穌也對他們說:“我也不告訴你們,我憑甚麼權柄作這些事。
28Maar wat dunkt u? Een mens had twee zonen, en gaande tot den eersten, zeide: Zoon! ga heen, werk heden in mijn wijngaard.
28兩個兒子的比喻“你們認為怎樣?有一個人,他有兩個兒子。他去對大兒子說:‘孩子,你今天到葡萄園去工作吧。’
29Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen.
29他說:‘我不想去。’但後來他改變主意,就去了。
30En gaande tot den tweeden, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer! en hij ging niet.
30父親又照樣去吩咐小兒子。小兒子說:‘父親,我會去的。’後來卻沒有去。
31Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.
31這兩個兒子,哪一個聽父親的話呢?”他們說:“大兒子。”耶穌對他們說:“我實在告訴你們:稅吏和娼妓比你們先進 神的國。
32Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven.
32約翰來到你們那裡,指示你們行義路(或譯:“約翰在義路中,來到你們這裡”),你們不信他;稅吏和娼妓卻信了他。你們看見了之後,還是沒有改變心意去信他。
33Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buiten 's lands.
33佃戶的比喻(可12:1~12;路20:9~19)“你們再聽一個比喻:有一個家主,栽種了一個葡萄園,四面圍上籬笆,在園子裡挖了一個壓酒池,蓋了一座瞭望臺,然後把園子租給佃戶,就遠行去了。
34Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen.
34到了收成的時候,園主派了僕人到佃戶那裡,收取應該納給他的果子。
35En de landlieden, nemende zijn dienstknechten, hebben den een geslagen, en den anderen gedood, en den derden gestenigd.
35佃戶卻抓住他的僕人,打傷一個,殺了一個,又用石頭打死一個。
36Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun desgelijks.
36於是園主再派其他的僕人去,人數比前一次更多,但佃戶也是同樣對付他們。
37En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien.
37最後,他派了自己的兒子去,說:‘他們必尊敬我的兒子。’
38Maar de landlieden, den zoon ziende, zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden.
38佃戶看見他的兒子,就彼此說:‘這是繼承產業的;來,我們殺了他,佔有他的產業吧!’
39En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten de wijngaard, en doodden hem.
39於是他們抓住他,把他推出葡萄園外殺了。
40Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen?
40那麼,葡萄園的主人來到的時候,會怎樣對待那些佃戶呢?”
41Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven.
41他們回答:“他會毫不留情地除掉那些惡人,把葡萄園租給按時繳納果子的佃戶。”
42Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van de Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?
42耶穌對他們說:“經上記著:‘建築工人所棄的石頭,成了房角的主要石頭;這是主所作的,在我們眼中看為希奇。’這話你們沒有念過嗎?
43Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.
43因此我告訴你們, 神的國要從你們那裡取去,賜給那結果子的外族人。
44En wie op deze steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.
44誰跌在這石頭上,就必摔碎;這石頭掉在誰的身上,就必把他壓得粉碎。”
45En als de overpriesters en Farizeen deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak.
45祭司長和法利賽人聽了耶穌這些比喻,知道是指著他們說的。
46En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een profeet.
46他們想要逮捕他,但又怕群眾,因為他們都認為耶穌是先知。