1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1亞倫的杖開花耶和華對摩西說:(本節在《馬索拉抄本》為17:16)
2Spreek tot de kinderen Israels, en neem van hen voor elk vaderlijk huis een staf, van al hun oversten, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven; eens iegelijken naam zult gij schrijven op zijn staf.
2“你要吩咐以色列人,要從他們手中取杖,按著父家每支派一根,從他們所有的領袖,按著他們的父家,共取十二根杖,你要把各人的名字寫在各人的杖上;
3Doch Aarons naam zult gij schrijven op den staf van Levi; want een staf zal er zijn voor het hoofd van het huis hunner vaderen.
3又要把亞倫的名字寫在利未的杖上,因為照著他們父家各族長必有一根杖。
4En gij zult ze wegleggen in de tent der samenkomst, voor de getuigenis, waarheen Ik met ulieden samenkomen zal.
4你要把這些杖放在會幕裡約櫃前,就是我和你們相會的地方。
5En het zal geschieden, dat de staf des mans, welke Ik zal verkoren hebben, zal bloeien; en Ik zal stillen de murmureringen van de kinderen Israels tegen Mij, welke zij tegen ulieden murmureerden.
5我揀選的那人,他的杖必發芽;這樣,我就必使以色列人向你們所發的怨言止息,不再達到我耳中。”
6Mozes dan sprak tot de kinderen Israels, en al hun oversten gaven aan hem een staf, voor elken overste een staf, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven; Aarons staf was ook onder hun staven.
6於是摩西吩咐以色列人,他們所有的領袖都把杖交給他,按著他們的父家,每個領袖一根杖,共有十二根杖;亞倫的杖也在其中。
7En Mozes legde deze staven weg, voor het aangezicht des HEEREN, in de tent der getuigenis.
7摩西就把杖放在約櫃的會幕裡,在耶和華面前。
8Het geschiedde nu des anderen daags, dat Mozes in de tent der getuigenis inging; en ziet, Aarons staf, voor het huis van Levi, bloeide; want hij bracht bloeisel voort, en bloesemde bloesem, en droeg amandelen.
8第二天,摩西進約櫃的會幕去,不料,利未家亞倫的杖已經發了芽,生了花苞,開了花,結了熟杏。
9Toen bracht Mozes al deze staven uit, van voor het aangezicht des HEEREN, tot al de kinderen Israels; en zij zagen het, en namen elk zijn staf.
9摩西就把所有的杖,從耶和華面前帶出來,給以色列眾人看;他們看見了,各人就把自己的杖拿了去。
10Toen zeide de HEERE tot Mozes: Breng de staf van Aaron weder voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de wederspannige kinderen; alzo zult gij een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven.
10耶和華對摩西說:“把亞倫的杖放回約櫃前,給那些背叛的人留作證據,這樣你就使他們向我發的怨言止息,免得他們死亡。”
11En Mozes deed het; gelijk als de HEERE hem geboden had, alzo deed hij.
11摩西就這樣行了,耶和華怎樣吩咐他,他就怎樣行了。
12Toen spraken de kinderen Israels tot Mozes, zeggende: Zie, wij geven den geest, wij vergaan, wij allen vergaan!
12以色列人對摩西說:“我們要死了,我們滅亡了,我們都滅亡了。
13Al wie enigzins nadert tot den tabernakel des HEEREN, zal sterven; zullen wij dan den geest gevende verdaan worden?
13走近耶和華帳幕的,都必定死;難道我們都要死嗎?”