1Als de kinderen Israels, de ganse vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf aldaar, en zij werd aldaar begraven.
1米利暗逝世(參民35:9~28;申19:1~13)正月間,以色列全體會眾到了尋的曠野,就住在加低斯;米利暗死在那裡,也埋葬在那裡。
2En er was geen water voor de vergadering; toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aaron.
2米利巴水(出17:1~7)會眾沒有水喝,就聚集攻擊摩西和亞倫。
3En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij den geest gegeven hadden, toen onze broeders voor het aangezicht des HEEREN den geest gaven!
3人民與摩西爭鬧,說:“但願我們的兄弟在耶和華面前死去的時候,我們也一同死去!
4Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des HEEREN in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?
4你們為甚麼把耶和華的會眾領到這曠野來,使我們和我們的牲畜都死在這裡呢?
5En waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brengen in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappelen; ook is er geen water om te drinken.
5你們為甚麼使我們出埃及,領我們到這壞地方來呢?這裡不能撒種,沒有無花果樹、葡萄樹、石榴樹,也沒有水喝。”
6Toen gingen Mozes en Aaron van het aangezicht der gemeente tot de deur van de tent der samenkomst, en zij vielen op hun aangezichten; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen hun.
6摩西和亞倫於是離開會眾,來到會幕門口,俯伏在地;耶和華的榮光向他們顯現。
7En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
7耶和華對摩西說:
8Neem dien staf, en verzamel de vergadering, gij en Aaron, uw broeder, en spreekt gijlieden tot den steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; alzo zult gij hun water voortbrengen uit den steenrots, en gij zult de vergadering en haar beesten drenken.
8“你要拿著杖,和你的哥哥亞倫聚集會眾,在他們眼前,吩咐磐石;這樣你就可以使磐石流出水來,給會眾和他們的牲畜喝。”
9Toen nam Mozes den staf van voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als Hij hem geboden had.
9於是,摩西照著耶和華吩咐他的,從耶和華面前拿了杖去。
10En Mozes en Aaron vergaderden de gemeente voor de steenrots, en hij zeide tot hen: Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen?
10摩西和亞倫聚集了會眾到磐石面前;摩西對他們說:“悖逆的人哪,你們要聽,我們為你們使水從磐石中流出來嗎?”
11Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.
11摩西舉手,用杖擊打磐石兩次,就有很多水流出來,會眾和他們的牲畜都喝了。
12Derhalve zeide de HEERE tot Mozes en tot Aaron: Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen van Israel, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb.
12耶和華對摩西和亞倫說:“因為你們不信我,不在以色列人眼前尊我為聖,所以你們必不得領這會眾進入我賜給他們的地。”
13Dit zijn de wateren van Meriba, daar de kinderen Israels met den HEERE om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd.
13這就是米利巴水,因為以色列人在那裡與耶和華爭鬧,耶和華在他們中間顯為聖。
14Daarna zond Mozes boden uit Kades tot den koning van Edom, welke zeiden: Alzo zegt uw broeder Israel: Gij weet al de moeite, die ons ontmoet is;
14以東王不許以色列人過境摩西從加低斯派使者去見以東王說:“你的兄弟以色列這樣說:你知道我們遭遇的一切困難,
15Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.
15就是我們的列祖下到埃及去,我們在埃及住了很多日子;埃及人惡待我們和我們的列祖;
16Toen riepen wij tot den HEERE, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste uwer landpale.
16我們向耶和華呼求,他就聽了我們的聲音,派使者把我們從埃及領出來;現在我們就在你邊界上的城加低斯。
17Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn.
17求你容我們從你的地經過;我們不走過田地和葡萄園,也不喝井裡的水,我們只走大路,不偏左也不偏右,直到走過了你的境地。”
18Doch Edom zeide tot hem: Gij zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met het zwaard uitga u tegemoet!
18以東王對使者說:“你不可從我這裡經過,免得我帶著刀出來攻擊你。”
19Toen zeiden de kinderen Israels tot hem: Wij zullen door den gebaanden weg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik deszelfs prijs daarvoor geven; ik zal alleenlijk, zonder iets anders, te voet doortrekken.
19以色列人對他說:“我們要走大路上去,我們和牲畜若是喝了你的水,我必照價付你;不求別的事,只求你容我們步行經過。”
20Doch hij zeide: Gij zult niet doortrekken! En Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand.
20以東王說:“你不可經過。”他就率領很多人出來,要用強硬的手攻擊以色列人。
21Alzo weigerde Edom Israel toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israel van hem af.
21這樣,以東王不肯讓以色列人從他的境內經過,以色列人就離開他去了。
22Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israels kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.
22亞倫逝世以色列全體會眾從加低斯起行,到了何珥山。
23De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aaron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:
23耶和華在以東地邊界的何珥山對摩西和亞倫說:
24Aaron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, hetwelk Ik aan de kinderen Israels gegeven heb, omdat gijlieden Mijn mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Meriba.
24“亞倫要歸到他本族人那裡去,他必不得進入我賜給以色列人的那地,因為在米利巴水的事上,你們違背了我的吩咐。
25Neem Aaron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den berg Hor.
25你要帶著亞倫和他的兒子以利亞撒,一同上何珥山去;
26En trek Aaron zijn klederen uit, en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan; want Aaron zal verzameld worden, en daar sterven.
26把亞倫的衣服脫下來,給他兒子以利亞撒穿上;亞倫就歸到他本族人那裡去,死在山上。”
27Mozes nu deed, gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen op tot den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering.
27摩西就照著耶和華吩咐的行了,三人當著全體會眾的眼前上了何珥山。
28En Mozes trok Aaron zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aaron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleazar van dien berg af.
28摩西把亞倫的衣服脫下來,給他的兒子以利亞撒穿上;亞倫就死在山頂那裡。於是,摩西和以利亞撒從山上下來。
29Toen de ganse vergadering zag, dat Aaron overleden was, zo beweenden zij Aaron dertig dagen, het ganse huis van Israel.
29全體會眾見亞倫死了,以色列全家就為亞倫哀哭了三十天。