1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1比勒达第三次发言
2Heerschappij en vreze zijn bij Hem, Hij maakt vrede in Zijn hoogten.
2“ 神有治理之权,威严可畏,他在高天之处施行和平。
3Is er een getal Zijner benden? En over wien staat Zijn licht niet op?
3他的天军怎能数算?他的光一发谁不被照耀呢?
4Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is?
4这样在 神面前,人怎能称为义呢?妇人所生的,怎能算为洁净呢?
5Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven; en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen.
5在 神的眼中,月亮都不明亮,星星也不皎洁,
6Hoeveel te min de mens, die een made is, en des mensen kind, die een worm is!
6更何况如虫的人,像蛆的世人呢!”