Dutch Staten Vertaling

聖經新譯本 (Simplified)

Numbers

13

1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1摩西差十二探子窥探迦南(申1:19-25)
2Zend u mannen uit: die het land Kanaan verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israels geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.
2“你要派人窥探我赐给以色列人的迦南地;按着父家所属的支派,每支派要派一个人,个个都必须是他们的领袖。”
3Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israels.
3摩西就照着耶和华的吩咐,从巴兰的旷野派他们去了;他们都是以色列人的领袖。
4En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.
4以下是他们的名字:属流本支派的是撒刻的儿子沙母亚。
5Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.
5属西缅支派的是何利的儿子沙法。
6Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.
6属犹大支派的是耶孚尼的儿子迦勒。
7Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.
7属以萨迦支派的是约色的儿子以迦。
8Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.
8属以法莲支派的是嫩的儿子何西亚。
9Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.
9属便雅悯支派的是拉孚的儿子帕提。
10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.
10属西布伦支派的是梭底的儿子迦叠。
11Van de stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.
11属约瑟支派的,就是属玛拿西支派的,是苏西的儿子迦底。
12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.
12属但支派的是基玛利的儿子亚米利。
13Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.
13属亚设支派的是米迦勒的儿子西帖。
14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.
14属拿弗他利支派的是瓦缚西的儿子拿比。
15Van de stam van Gad, Guel, de zoon van Machi.
15属迦得支派的是玛基的儿子臼利。
16Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, den zoon van Nun, Jozua.
16以上是摩西派去窥探那地的人的名字。摩西称嫩的儿子何西亚为约书亚。
17Mozes dan zond hen, om het land Kanaan te verspieden; en hij zeide tot hen: Trekt dit henen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte;
17摩西派他们去窥探迦南地,对他们说:“你们要从这里上南地,然后上山地去。
18En beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel;
18看看那地怎样,住在那里的人是强是弱,是多是少;
19En hoedanig het land zij, waarin hetzelve woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn, in dewelke hetzelve woont, of in legers, of in sterkten;
19看看他们住的地怎样,是好是坏;看看他们所住的城镇怎样,是营地,还是城堡;
20Ook hoedanig het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht des lands. Die dagen nu waren de dagen der eerste vruchten van de wijndruiven.
20看看那地怎样,是肥沃还是贫瘠,那里有树木没有。你们要壮胆,把那地的果子带些回来。”那时正是葡萄初熟的时候。
21Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.
21他们上去窥探了那地,从寻的旷野到利合,直到哈玛关口。
22En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte.
22他们上到南地,到了希伯仑,在那里有亚衲族人的后裔亚希幔、示筛、挞买。原来希伯仑城比埃及的琐安城早建七年。
23Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, dien zij droegen met tweeen, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen.
23他们来到以实各谷,从那里砍下了一根葡萄枝子,上头只有一挂葡萄,两个人用杠抬着回来;他们也带了些石榴和无花果回来。
24Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van den tros, dien de kinderen Israels van daar afgesneden hadden.
24因为以色列人从那里砍来的那挂葡萄,所以那地方叫作以实各谷。
25Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van veertig dagen.
25探子回报(申1:26-33)四十天以后,他们窥探那地完毕,就回来。
26En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aaron, en tot de gehele vergadering der kinderen Israels, in de woestijn Paran, naar Kades; en brachten bescheid weder aan hen, en aan de gehele vergadering, en lieten hen de vrucht des lands zien.
26他们来到了巴兰旷野的加低斯,见摩西、亚伦和以色列的全体会众,向摩西、亚伦及全体会众报告,又把那地的果子给他们看。
27En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.
27他们告诉摩西:“我们到了你派我们去的那地,果然是流奶与蜜的地,这就是那地的果子。
28Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.
28只是住在那地的人强壮,城又坚固又十分高大,并且我们在那里也看见了亚衲族人的后裔。
29De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaanieten wonen aan de zee, en aan den oever van de Jordaan.
29有亚玛力人住在南地;赫人、耶布斯人、亚摩利人住在山地;迦南人住在海边和约旦河沿岸。”
30Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zeide: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen!
30迦勒在摩西面前使众人镇静,说:“我们立刻上去,占领那地吧!因为我们必能得胜。”
31Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij.
31但是,那些与他同去的人却说:“我们不能上去攻击那民,因为他们比我们强。”
32Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israels, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.
32那些探子就他们窥探之地向以色列人报恶信,说:“我们经过要窥探的地方,是个吞吃居民的地方;我们在那里看见的人,个个都高大。
33Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.
33在那里我们看见了巨人,就是亚衲人的子孙,是巨人的后裔;我们看自己好像是蚱蜢,他们看我们也是这样。”