1Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen, en koop u een linnen gordel, en doe dien aan uw lenden, maar breng hem niet in het water.
1Således saghde Herren til mig: "Gå hen og køb dig et linned bælte og bind det om din lænd, lad det ikke komme i vand!"
2En ik kocht een gordel naar het woord des HEEREN, en ik deed dien aan mijn lenden.
2Og jeg købte bæltet efter Herrens ord og bandt det om min lænd.
3Toen geschiedde des HEEREN woord ten tweeden male tot mij, zeggende:
3Så kom HERRENs Ord atter til mig således:
4Neem den gordel, dien gij gekocht hebt, die aan uw lenden is, en maak u op, en ga henen naar den Frath, en versteek dien aldaar in de klove ener steenrots.
4"Tag Bæltet, du købte og har om Lænden, og gå til Frat og gem det der i eu Klipperevne!"
5Zo ging ik henen, en verstak dien bij den Frath, gelijk als de HEERE mij geboden had.
5Og jeg gik hen og gemte det ved Frat, som HERREN bød.
6Het geschiedde nu ten einde van vele dagen, dat de HEERE tot mij zeide: Maak u op, ga henen naar den Frath, en neem den gordel van daar, dien Ik u geboden heb aldaar te versteken.
6Men lang Tid efter sagde HERREN til mig: "Gå til Frat og hent Bæltet, jeg bød dig gemme der!"
7Zo ging ik naar den Frath, en groef, en nam den gordel van de plaats, alwaar ik dien verstoken had; en ziet, de gordel was verdorven en deugde nergens toe.
7Og jeg gik til Frat og gravede Bæltet op, hvor jeg havde gemt det: og se, Bæltet var ødelagt og duede ikke til noget.
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
8Og HERRENs Ord kom til mig således:
9Zo zegt de HEERE: Alzo zal Ik verderven de hovaardij van Juda, en die grote hovaardij van Jeruzalem.
9Så siger HERREN: Således vil jeg ødelægge Judas og Jerusalems store Herlighed.
10Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het goeddunken zijns harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neder te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt.
10Dette onde Folk, som vægrer sig ved at høre mine Ord og vandrer i deres Hjertes Stivsind og holder sig til andre Guder og dyrker og tilbeder dem, skal blive som dette Bælte, der ikke duer til noget.
11Want gelijk als een gordel kleeft aan de lenden eens mans, alzo heb Ik het ganse huis Israels en het ganse huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt de HEERE, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord.
11Thi som Bæltet slutter sig tæt til en Mands Lænd, således har jeg sluttet hele Israels Hus og hele Judas Hus tæt til mig, lyder det fra HERREN, for at de skulde være mit Folk og blive mig til Navnkundigbed, Pris og Ære; men de hørte ikke.
12Daarom zeg dit woord tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Alle flessen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle flessen met wijn gevuld zullen worden?
12Og du skal sige til dette Folk: Så siger HERREN, Israels Gud: Enhver Vindunk fyldes med Vin! Og siger de til dig: "Skulde vi ikke vide, at enhver Vindunk fyldes med Vin?"
13Maar gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal alle inwoners deze lands, zelfs de koningen, die op Davids troon zitten, en de priesters, en de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, opvullen met dronkenschap.
13så svar dem: Så siger HERREN: Se, jeg vil fylde alle dette Lands Indbyggere, Kongerne, der sidder på Davids Trone, Præsterne, Profeterne og alle Jerusalems Borgere, så de hliver drukne;
14En Ik zal hen in stukken slaan, den een tegen den ander, zo de vaders als de kinderen te zamen, spreekt de HEERE; Ik zal niet verschonen noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven.
14og jeg knuser dem mod hinanden, både Fædre og Sønner, lyder det fra HERREN; uden Skånsel, Medynk og Barmhjertighed ødelægger jeg dem.
15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.
15Hør og lyt uden Hovmod, thi HERREN taler.
16Geeft eer den HEERE, uw God, eer dat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat gij naar licht wacht, en Hij datzelve tot een schaduw des doods stelle, en tot een donkerheid zette.
16Lad HERREN eders Gud få Ære, før det mørkner, før I støder eders Fødder på Skumringsbjerge, så I må bie på Lys, men han gør det til Mulm, han gør det til Mørke.
17Zult gijlieden dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgene plaatsen wenen vanwege den hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat des HEEREN kudde gevankelijk is weggevoerd.
17Men dersom I ikke hører, da græder min Sjæl i Løn for Hovmodets Skyld, den fælder så bitre Tåmer; mit Øje rinder med Gråd, thi HERRENs Hjord føres bort.
18Zeg tot den koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder; want uw ganse hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid, is nedergedaald.
18Sig til Kongen og til Herskerinden: "Tag lavere Sæde, thi af eders Hoved faldt den dejlige Krone."
19De steden van het zuiden zijn toegesloten, en er is niemand, die ze opent; het ganse Juda is weggevoerd, het is geheel en al weggevoerd.
19Sydlandets Byer er lukkede, ingen lukker op, hele Juda er bortført til sidste Mand.
20Hef uw ogen op, en zie, die daar van het noorden komen! waar is de kudde, die u gegeven was, de schapen uwer heerlijkheid?
20Løft dine Øjne og se dem komme fra Nord! Hvor er den Hjord, du fik, dine dejlige Får?
21Wat zult gij zeggen, wanneer Hij bezoeking over u doen zal, daar gij hem geleerd hebt tot vorsten, tot een hoofd over u te zijn; zullen u de smarten niet aangrijpen, als een barende vrouw?
21Hvad vil du sige, når du får dem til Herrer, hvem du lærte at komme til dig som Venner? Vil ikke Veer da gribe dig som Kvinde i Barnsnød?
22Wanneer gij dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid uwer ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden.
22Og siger du i dit Hjerte: "Hvi hændtes mig dette?" For din svare Skyld blev dit Slæb løftet op, dine Hæle skændet.
23Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.
23Hvis en Neger kunde skifte sin Hud, en Panter sine Striber, så kunde og I gøre godt, I Mestre i ondt!
24Daarom zal Ik hen verstrooien als een stoppel, die doorgaat, door een wind der woestijn.
24Jeg spreder dem som Strå, der flyver for Ørkenens Vind:
25Dit zal uw lot, het deel uwer maten zijn van Mij, spreekt de HEERE; gij, die Mij hebt vergeten, en op leugen vertrouwt.
25det er din Lod, din tilmålte Del fra mig, så lyder det fra HERREN, fordi du lod mig gå ad Glemme og stoled på Løgn.
26Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden.
26Ja, dit Slæb slår jeg over dit Ansigt, din Skam skal ses,
27Uw overspelen en uw hunkeringen, de schandelijkheid uws hoerdoms, op heuvelen, in het veld; Ik heb uw verfoeiselen gezien; wee u, Jeruzalem! zult gij niet rein worden? Hoe lang nog na dezen?
27dit Ægteskabsbrud og din Vrinsken, din skamløse Utugt; på Højene og ude på Marken så jeg dine væmmelige Guder. Ve dig, Jerusalem, du bliver ej ren hvor længe endnu?