1Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israel, en al de hoofden der stammen, de oversten der vaderen, onder de kinderen Israels, tot den koning Salomo te Jeruzalem, om de ark des verbonds des HEEREN op te brengen uit de stad Davids, dewelke is Sion.
1Huchiin Solomonin Israel upate, a nam intekpen tengtengte Israel suante inkuan intekpente, Jerusalem khuaa kumpipa Solomon kiangah David khopi Zion akipan Toupa thukhunna bawm jawng tou dingin a kaikhawm vek a.
2En alle mannen van Israel verzamelden zich tot den koning Salomo, in de maand Ethanim op het feest; die is de zevende maand.
2Huan, Israel mi tengteng Ethanim kha, (kha sagihnaah) ankuang luinaah kumpipa Solomon kiangah a kikaikhawm vek uhi.
3En al de oudsten van Israel kwamen; en de priesters namen de ark op.
3Huan, Israel upate tengteng a hong ua, siamputen bawm a jawng uh.
4En zij brachten de ark des HEEREN en de tent der samenkomst opwaarts mitsgaders al de heilige vaten, die in de tent waren; en de priesters en de Levieten brachten dezelve opwaarts.
4Huan, Toupa bawm leh, kihoupihna puanin leh puanina tuiumbelsuan siangthou tengteng a jawng tou uh; huaite siampute leh Levi chiten a jawng tou ua.
5De koning Salomo nu en de ganse vergadering van Israel, die bij hem vergaderd waren, waren met hem voor de ark, offerende schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld, noch gerekend worden.
5Huan, kumpipa Solomon leh Israelte kikaikhawm tengteng a kianga hongkikhawmte bawm maah a om khawm ua, belam leh bawngtal a tam jiaka sim sen vual louh leh a zah theih seng vual louhin akithoih uhi.
6Alzo brachten de priesteren de ark des verbonds des HEEREN tot haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige der heiligen, tot onder de vleugelen der cherubim.
6Huchiin siamputen Toupa thukhunna bawm a omna dingah a la lut ua, in sunga biakna mun, mun, siangthoupen ah, cherubte kha nuaiah.
7Want de cherubim spreidden beide vleugelen over de plaats der ark; en de cherubim overdekten de ark en haar handbomen van boven.
7Cherubten bawm omna tung jawnah akha uh ajak gige ngal ua, cherubten bawm leh a jawnna chiangtawnte a huap vek hi.
8Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden der handbomen gezien werden uit het heiligdom voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij zijn aldaar tot op dezen dag.
8Huan, a jawnna chiangtawn a sau mahmaha, ajawnna chiangtawn mongte biakna mun ma, mun siangthou akipanin a muh theiha; Ahihhangin inpo lamah jaw a dawk kei: tutan huai laiah a om nilouh hi.
9Er was niets in de ark, dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als de HEERE een verbond maakte met de kinderen Israels, toen zij uit Egypteland uitgetogen waren.
9Aigupta gam akipan apawt ua TOUPAN Israel suante kianga thu a khun laia Mosiin Horeb tanga suangpek nih a koihte kia loujaw huai bawm sungah bangmah dang a om kei hi.
10En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des HEEREN vervulde.
10Huan, hichi ahi a, siampute mun siangthou akipan a hongpawt khiak tak un TOUPA in meipiin a hongdim meumou maia,
11En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld.
11huchiin meipi jiakin siampute nasemin a om theikei zou uh: Toupa thupinain Toupa in lah a dimsak vek ngal a.
12Toen zeide Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.
12Huchiin Solomonin thu a gen a: TOUPAN, mial bikbek ah ka om ding, achi hima.
13Ik heb immers een huis gebouwd, U ter woonstede, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.
13Na tenna dingin, khantawna na omna ding ka honnalamsak pet mah hi, achia.
14Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de ganse gemeente van Israel; en de ganse gemeente van Israel stond.
14Huan, kumpipa a kinungheia, Israelte kikaikhawm tengteng a vualjawla: huchiin Israelte kikaikhawm tengteng a ding dedup uh.
15En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God Israels, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn hand vervuld, zeggende:
15Huan, aman, Toupa, Israelte Pathian, ka pa David kianga amah kam mahmaha,
16Van dien dag af, dat Ik Mijn volk Israel uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad verkoren uit alle stammen van Israel, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David verkoren, dat hij over Mijn volk Israel wezen zou.
16Aigupta gam akipan ka mi Israelte ka pi khiak ni akipanin Israelte nam laka koilai khua leng ka min omna ding in lamna ding ka natel ngei keia, ahihhangin ka mi Israelte heutu dingin David ka tel ahi, chia nagenpa, amah khut mahmaha honpichingsakpa phatin om hen.
17Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis den Naam van den HEERE, den God Israels, te bouwen.
17Ka pa Davidin Israelte Pathian, Toupa min dinga in lam a lungsimin a na tum seka.
18Maar de HEERE zeide tot David, mijn vader: Dewijl dat in uw hart geweest is Mijn Naam een huis te bouwen, gij hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is.
18Himahleh TOUPAN ka pa David kiangah, na lungsimin ka min dingin in lam na tum seka, hichibang lungsim na naput na hih hoih hi:
19Evenwel gij zult dat huis niet bouwen; maar uw zoon, die uit uw lendenen voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.
19Himahleh nang jaw in na lam kei ding: na tapa, na khala hongpawt khe dingin ka min dingin in a lam zo ding, a nachi hi.
20Ze heeft de HEERE bevestigd Zijn woord, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op den troon van Israel, gelijk als de HEERE gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd den Naam des HEEREN, des Gods van Israel.
20Huan, TOUPAN a thu gen a honhihkipa; Toupa nana chiamsa bang ngeiin ka pa David mun ka honluahin, Israel laltutphah ah ka hongtu taa, Israelte Pathian, Toupa min ading in lah ka na lamta ngeia.
21En ik heb daar een plaats beschikt voor de ark, waarin het verbond des HEEREN is, hetwelk Hij met onze vaderen maakte, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde.
21Huaiah bawm omna ding mun ka na sepa, huailai ah Aigupta gam akipana a pikhiak laia I pute uh kianga a nakhun, Toupa thukhun a oma, a chi a.
22En Salomo stond voor het altaar des HEEREN, tegenover de ganse gemeente van Israel, en breidde zijn handen uit naar den hemel;
22Huan, Solomon bel TOUPA maitam ma, Israel hongkikhawmte tengteng muhin a dinga, van lam sawkin a khut a jaka,
23En hij zeide: HEERE, God van Israel, er is geen God, gelijk Gij, boven in den hemel, noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun ganse hart wandelen;
23Aw TOUPA. Israel Pathian, na sikha lungtang tengteng ua na mitmuha om sekte kianga thukhun tangtuna hehpihna hihlang sek, na sikha ka pa David kianga thuchiam tangtunpa, tunglam ah leh nuai lam lei ah nang bang mahmah Pathian dang a om kei:
24Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat Gij tot hem gesproken hadt; want met Uw mond hebt Gij gesproken, en met Uw hand vervuld, gelijk het te dezen dage is.
24Ahi, nang na kamin thu na gena, na khutin na honlohchingsaktaa, tuinia a hongomta ngei bangin.
25En nu HEERE, God van Israel, houd Uw knecht, mijn vader David, wat Gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die op den troon van Israel zitte; alleenlijk zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen voor Mijn aangezicht, gelijk als gij gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.
25Huchiin aw TOUPA, Israelte Pathian, na sikha ka pa David kianga, na suante ka mitmuha na om banga ka mitmuha om sam dinga a omdan ua a pilvang peuhmah uleh ka mitmuh ah Israelte laltutphaha tu ding na tatlak kei ding, chia na nachiam tangtunin.
26Nu dan, o God van Israel, laat toch Uw woord waar worden, hetwelk Gij gesproken hebt tot Uw knecht, mijn vader David.
26Huchiin aw Israelte Pathian, na sikha ka pa David kianga thu na nagensa hehpih takin tungsak ngeiin.
27Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!
27Himahleh Pathian lei ah a om petmah dia eita maw? Ngaiin, van leh vante vanah leng ta lou na hi a; hiai ka in lam ah nak tak tuak keina tel chia!
28Wend U dan nog tot het gebed van Uw knecht, en tot zijn smeking, o HEERE, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht heden voor Uw aangezicht bidt.
28Himahleh aw TOUPA ka Pathian, tunia na sikhain a hon sapna thumnaa a thusam ngaikhiaksak in, na sikha thumna leh ngetna hon limsak in:
29Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke Gij gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, hetwelk Uw knecht bidden zal in deze plaats.
29Hiai mun lam ngaa na sikhain thuma a thusam ding ngaikhiaa, nang, huailaiah ka min a om ding, na chihna mun ngeia in lama sun leh jana na mit na lensak gige sek theihna dingin.
30Hoor dan naar de smeking van Uw knecht, en van Uw volk Israel, die in deze plaats zullen bidden; en Gij, hoor in de plaats Uwer woning, in den hemel, ja, hoor, en vergeef.
30Huan, na sikha leh nami Israelten hiai mun lam ngaa a thum chiang un a ngetnate uh na nangaihkhiak sak jelin; ahi, na tenna mun van ah na nangai khia inla; huan, na ngaikhiain ngaidamin.
31Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en hij hem een eed des vloeks opgelegd zal hebben, om zichzelven te vervloeken; en de eed des vloeks voor Uw altaar in dit huis komen zal;
31Mi kuapeuhin avengte tungah thil hihkhialin, kichiamsak hial hongki phamoh leh, hiai ina namaitam maah hong kichiam henla,
32Hoor Gij dan in den hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende den ongerechtige, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende den gerechtige, gevende hem naar zijn gerechtigheid.
32Nang van ah na ngaikhia inla, gamtang inla, mi gilou pen amah lu tungah mah a omdan ngaa mohsak dingin mi diktat pen a diktatna bangbanga lohsaka siamtangsakin na sikhate vaihawmsak in.
33Wanneer Uw volk Israel zal geslagen worden voor het aangezicht des vijands, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich tot U bekeren, en Uw Naam belijden, en tot U in dit huis bidden en smeken zullen;
33Na mi Israelten na tunga thil a hihkhelh jiak ua melmate laka a navualleh ua nang lam a hongngat nawn ua, na min a phat ua, hiai ina thuma thil a hon nget uleh,
34Hoor Gij dan in den hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israel, en breng hen weder in het land, dat Gij hun vaderen gegeven hebt.
34Nang van ah na nangaihkhiaksak inla, na mi Israelte khelhna ngaidam inla, a pute uh gam na piakah pi nawn in.
35Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben;
35Na tunga thil a hihkhelh jiak ua van a bina, vuahte khawng a hongzuk louh hun chiangin, hiai mun lam ngaa a thum ua, na min a phat ua, amau na bawl gentheih jiaka a khelhnate uh a kisik uleh,
36Hoor Gij dan in den hemel, en vergeef de zonde van Uw knechten en van Uw volk Israel, als Gij hun zult geleerd hebben den goeden weg in denwelken zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat Gij Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.
36Nang van ah na nangaikhia inla, na sikhate leh na mi Israelte khelhna ngaidam inla, apaina ding uh lampi hoih lah na kawkmuh sin ngala, huan, na mite a goutan dingun na piak na ah vuah honzusak in.
37Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren, honigdauw, sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land zijner poorten hem belegeren zal, of enige plage, of enige krankheid wezen zal;
37Ka gam ua kial khawng a hongkiaka, hi khawng a honglena, keuna hiam, muatna hiam, khaukhup hiam, lung hiam a hongoma, a melmate un a kongpi kim uate a homun ua, hi bangpeuh, chinatna bangpeuh a hongtun leh,
38Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, van al Uw volk Israel, geschieden zal; als zij erkennen, een ieder de plage zijns harten, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal;
38Na mi Israel tengteng laka amau lungtanga hi oma theia, hiai in lam ngaa khut a honjak peuhmah ua thumna leh ngetna honlat peuhpeuh uh:
39Hoor Gij dan in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en doe, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van alle kinderen der mensen;
39Na omna van ah na ngaikhia inla, ngaidam inla, gamtang inla, nang amau lungtang theipa, mi chih a omdan bangbang un loh ching sakin; (nang jaw, nangmah kia mihing ta tengteng lungtang theipa lah na hingala: )
40Opdat zij U vrezen al de dagen, die zij leven zullen in het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt.
40Ka pute uh na piakgama a om laiteng uh amau nang honkihtakdan a siam theihna dingun.
41Zelfs ook aangaande den vreemde, die van Uw volk Israel niet zal zijn, maar uit verren lande om Uws Naams wil komen zal;
41Na mi Israelte hi lou nam dang, na min jiaka gam gamla pia kipana hongpaite tungtang thu leng;
42(Want zij zullen horen van Uw groten Naam, en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekten arm) als hij komen en bidden zal in dit huis;
42(Na min thupi mahmah te, na khut hat mahmah te, na ban na jak thu te a naza chiat sin ngal ua; ) huaiten hiai in lam ngaa a hongthum chiang un,
43Hoor Gij in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, om U te vrezen, gelijk Uw volk Israel, en om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.
43Nang na omna vanah na nangaikhia inla, nam dangin a honnget bang nana hihsak in, na mi Israelte bangmaha nam chihin na min a theih ua, laudan a honsiam ua, hiai ka in lamin na min pu ahi chih a hon theihtheihna dingun.
44Wanneer Uw volk in den krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door den weg, dien Gij hen henen zenden zult, en zullen tot den HEERE bidden naar den weg dezer stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, hetwelk ik Uw Naam gebouwd heb;
44Na miten a melma te uh nasawlna lamlam ah na sual u henla, na khopi tel lam nga leh, na mindinga ka inlam lamngaa Toupa kianga a thum uleh,
45Hoor dan in den hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit.
45A thumna u leh ngetna uh nang van ah nangaikhia inla, athu uah gamtang in.
46Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in des vijands land, dat verre of nabij is.
46Na tunga thil a hihkhelh uleh, (kuamah mah thil hihkhial lou lah a om ngal kei ua) a tung ua na hehna, melma gam gamla mahmah hiam, nai chik hiama leng sala a pi ua;
47En zij in het land, waar zij gevankelijk weggevoerd zijn, weder aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land dergenen, die ze gevankelijk weggevoerd hebben, zeggende: Wij hebben gezondigd, en verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld;
47Sala a pina gam ua a ngaihtuah khiak ua, a kisik ua, Thil i nahihkhial hi, diklou mahmah leh gilpi, mahmahin I nagamta uh, chia sala pi mite gama nang a hon nget ule bel,
48En zij zich tot U bekeren, met hun ganse hart, en met hun ganse ziel, in het land hunner vijanden, die hen gevankelijk weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen naar den weg van hun land (hetwelk Gij hun vaderen gegeven hebt), naar deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
48A melma amau sala pite gama a lungtang tak u leh a lungsim takua nang lam a hongngat ua, a pute uh na piak gam lam leh, na khopi tel lam leh na min adia ka in lam lam ngaa na kianga a thum uleh;
49Hoor dan in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, hun gebed en hun smeking en voer hun recht uit;
49A thumna u leh a ngetna uh nang na omna van ah nangaikhia inla, a thu uah gamtang in:
50En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmede zij tegen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht dergenen, die ze gevangen houden, opdat zij zich hunner ontfermen;
50Huan, na mi na tunga thil hihkhialte leh na laka a natatlekna uah a tatleknate tengteng uh ngaidam inla; sala piten amaute a hehpih theihna ding un hehpihna neihsakin:
51Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die Gij uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden des ijzeren ovens;
51Na mi na goutan, Aigupta gam akipana, sik haltuina sunga kipana na pi khiakte lah ahi ngal ua:
52Opdat Uw ogen open zijn tot de smeking van Uw knecht en tot de smeking van Uw volk Israel, om naar hen te horen, in al hun roepen tot U.
52A honsap peuhpeuh chiang ua na nangaih khiak dinga na sikha ngetna leh, na mi Israel ngetna lama na mit na lensak theihna dingin.
53Want Gij hebt hen U tot een erfdeel afgezonderd, uit alle volken der aarde; gelijk als Gij gesproken hebt door den dienst van Mozes, Uw knecht, als Gij onze vaderen uit Egypte uitvoerdet, Heere HEERE!
53Aw Toupa Pathian, ka pute uh Aigupta gam akipana na pi khiak laia na sikha Mosi zanga na gen bangin na goutan dingin khovel nam chih laka kipan na hihtuam lah ahi ngala, a chi a.
54Het geschiedde nu, als Salomo voleind had dit ganse gebed, en deze smeking tot den HEERE te bidden, dat hij van voor het altaar des HEEREN opstond, van het knielen op zijn knieen, met zijn handen uitgebreid naar den hemel;
54Huan, hichi ahia, Solomonin Toupa kianga a thumna leh ngetna tengteng a gen khitin, Toupa maitam maa khukdina, van lam sawka khut jaka omlai a thou a.
55Zo stond hij, en zegende de ganse gemeente van Israel, zeggende met luider stem:
55Huan, a dinga aw ngaihtakin Israel kikhawmte tengteng a vualjawla,
56Geloofd zij de HEERE, Die aan Zijn volk Israel rust gegeven heeft, naar alles, wat Hij gesproken heeft! Niet een enig woord is er gevallen van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door den dienst van Mozes, Zijn knecht.
56A thuchiam tengteng bang jela a mi Israelte khawlna pepa Toupa phatin om hen: a sikha Mosi zanga a thuchiam hoih tengteng thu khat leng a vuaksuak kei, chiin.
57De HEERE, onze God, zij met ons, gelijk als Hij geweest is met onze vaderen; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet;
57TOUPA I Pathian I pute kianga a om bangin I kiang uah om henla; honpaisanin, hondonsaklou kei hen:
58Neigende tot Zich ons hart, om in al Zijn wegen te wandelen, en om te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, dewelke Hij onzen vaderen geboden heeft.
58Huchiin a lampi tengteng tawn ding leh, I pute a na piak khitsa banga athupiakte, a thusehte, a vaihawmte pom dinga I lungtangte amah lama a ngatsak theihna dingin.
59En dat deze mijn woorden, waarmede ik voor den HEERE gesmeekt heb, mogen nabij zijn voor den HEERE, onzen God, dag en nacht; opdat Hij het recht van Zijn knecht uitvoere, en het recht van Zijn volk Israel, elkeen dagelijks op zijn dag.
59A sikha thu ah leh, a mi Israelte thu ah a ni omdan bang jela a gamtat theihna dingin hiai ka thu gen, TOUPA maa ngetna ka tutte sun leh jan TOUPA I Pathian maah om gige hen:
60Opdat alle volken der aarde weten, dat de HEERE die God is, niemand meer;
60Toupa Pathian ahi a, kuamah dang a om kei uh chih khovela nam chihin a natheih theihna ding un.
61En ulieder hart volkomen zij met den HEERE, onzen God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te dezen dage.
61Huchiin a thuseh banga om ding leh a thupiakte jui dingin TOUPA I Pathian lamah na lungtangte uh hoih kim hen, tuni bangin.
62En de koning, en gans Israel met hem, offerden slachtofferen voor het aangezicht des HEEREN.
62Huan, kumpipa leh Israelte tengtengin TOUPA maah kithoihna a lan ua.
63En Salomo offerde ten dankoffer, dat hij den HEERE offerde, twee en twintig duizend runderen, en honderd en twintig duizend schapen. Alzo hebben zij het huis des HEEREN ingewijd, de koning en al de kinderen Israels.
63Huan, Solomonin TOUPA dinga alat kilepna thillat kithoihna dingin bawngtal sing nih leh sang nih leh, belam nuai khat leh singnih a lan hi. Huchibangin kumpipa leh Israel suante tengtengin TOUPA in a lanta uhi.
64Ten zelfden dage heiligde de koning het middelste des voorhofs, dat voor het huis des HEEREN was, omdat hij aldaar het brandoffer en het spijsoffer bereid had, mitsgaders het vet der dankofferen; want het koperen altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN was, was te klein, om de brandofferen, en de spijsofferen, en het vet der dankofferen te vatten.
64Huai ni mahin kumpipan TOUPA inka jawna intual huang sung laitak a hih siangthou a; huaiah Toupa ma a dal maitam halmanga thillatte, tangbuang thillatte, kilepna thillat sathaute koihna dinga a neu luat jiakin halmanga thilatte, tangbuang thilatte, kilepna thillat sathaute lah a lan ngala.
65Terzelfder tijd ook hield Salomo het feest, en gans Israel met hem, een grote gemeente, van den ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen.
65Huchiin, huai tungin Solomon leh Israel te tengteng, mipi kikhawm khawm tampi, Hamath kho lutna a kipan Aigupta gam lui pha a mite Toupa I Pathian maah ni sagih leh ni sagih, ni sawm leh ni li sung tak ankuang a lui khawm uhi.Ani giat niin mipite a kikhensak a, huan, kumpi a vualjawl ua, huchiin Toupan a sikha David leh a mi Israel te tunga a hoihna huchi lawmlawm a a latsak jiakin lungsim nuamsa leh kipak mahmah in a inlam uah a paita uhi.
66Op den achtsten dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden den koning; daarna gingen zij naar hun tenten, blijde en goedsmoeds over al het goede, dat de HEERE aan David, Zijn knecht, en aan Israel, Zijn volk, gedaan had.
66Ani giat niin mipite a kikhensak a, huan, kumpi a vualjawl ua, huchiin Toupan a sikha David leh a mi Israel te tunga a hoihna huchi lawmlawm a a latsak jiakin lungsim nuamsa leh kipak mahmah in a inlam uah a paita uhi.