1Dit zijn dan de geboden, de inzettingen en de rechten, die de HEERE, uw God, geboden heeft om u te leren; opdat gij ze doet in het land, naar hetwelk gij heentrekt, om dat erfelijk te bezitten;
1Huan luah dinga na vagalkahna gam ua na zuih ding ua TOUPA na Pathian un nou honsin sak dia thu a honpiak, thupiakte, thusehte leh vaihawmte hiaite ahi uh:
2Opdat gij den HEERE, uw God, vrezet, om te houden al Zijn inzettingen, en Zijn geboden, die ik u gebiede; gij, en uw kind, en kindskind, al de dagen uws levens; en opdat uw dagen verlengd worden.
2Nou leh na tapate uh leh na tupate un TOUPA na Pathian uh laudan na siam ua, na damsung teng ua a dan tengteng leh a thupiak ka honpiak na zuihna ding uh leh na hongten sawt theihna ding un.
3Hoor dan, Israel! en neem waar, dat gij ze doet, opdat het u welga, en opdat gij zeer vermenigvuldigdet (gelijk als u de HEERE, uwer vaderen God, gesproken heeft) in het land, dat van melk en honig is vloeiende.
3Huajiakin, Israel mite aw, lamzanga, TOUPA, na pi leh pute uh Pathianin a honkamchiam bangin nawitui leh khuaiju luanna gama nakpi taka na hongpun theihna ding un ngaikhia unla, jui dingin pilvang un.
4Hoor, Israel! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!
4Israel mite aw, ngaikhia unla, TOUPA na Pathian kia TOUPA ahi a:
5Zo zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen.
5TOUPA na Pathian un na lungtang tengteng un, na lungsim tengteng un, na hatna tengteng un na it dinguh ahi.
6En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn.
6Huan, hiai thu, tunia ka honpiak na lungtang uah a tam gige dinga;
7En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.
7Na tate uh phatuamngai takin na sinsak ding ua, na in ua na tut lai bang un, lapia napai lai bang un, na luplai bang un, na thoh chiang bang un na gen jel ding uhi.
8Ook zult gij ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.
8Huan, chiamtehna dingin naban uah na vial ding ua, na mit kikal uah talgakna dingin a om dingin a om ding ahi.
9En gij zult ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten schrijven.
9Huan, na in kongkhak bianguahte, na kongkhak uahte na gelh ding uh ahi.
10Als het dan zal geschied zijn, dat de HEERE, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt,
10Huan, hichi ahi dinga, TOUPA na Pathian un na pu uh, Abraham te, Isaak te, Jakob te kianga kichiama a honpiak gam, na bawlkhiak uh hi hetlou,
11En huizen, vol van alle goeds, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt;
11Kho thupi leh kilawm taktakte, na hihdim uh hi het lou, thil hoih chitenga dim in te, na leh uh hi het lou tuikhuk lehsa te, na suan uh hi het lou, grep huan leh oliv sing te omnaa a honpi luta, na nek ua, na tai ngail chiang un, pilvang mahmah un;
12Zo wacht u, dat gij den HEERE niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd.
12Huchilouin jaw Aigupta gam akipan, sal akipana honpikhia TOUPA na mangngilh kha mahmah ding uh.
13Gij zult den HEERE, uw God, vrezen, en Hem dienen; en gij zult bij Zijn Naam zweren.
13TOUPA na Pathian uh laudan na siam dingua, amah na na sem ding ua, a min louin na kichaim ding uh ahi.
14Gij zult andere goden niet navolgen, van de goden der volken, die rondom u zijn.
14Pathian, na kim ua mite pathiante na be dinguh ahi kei;
15Want de HEERE, uw God is een ijverig God in het midden van u; dat de toorn des HEEREN, uws Gods, tegen u niet ontsteke, en Hij u van den aardbodem verdelge.
15Na lak ua TOUPA na Pathian ujaw Pathian na mullit hat ahi; TOUPA na Pathian uh na tunguah a heh dinga, lei akipan a honhihmang kha zenhouh ding hi.
16Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken, gelijk als gij Hem verzocht hebt te Massa.
16Massaha na zeet bang un TOUPA na Pathian uh na zeet ding uh ahi kei.
17Gij zult de geboden des HEEREN, uws Gods, vlijtig houden, mitsgaders Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.
17TOUPA na Pathian un a honpiak, thupiak te, a thutheihsak te, a dan te pilvang takin na jui ding uhi.
18En gij zult doen, wat recht en goed is in de ogen des HEEREN; opdat het u welga, en dat gij inkomt, en erft het goede land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft;
18TOUPA mitmuha a dik leh hoih na hih ding uh ahi: huchiin nou dingin a hoih dinga, TOUPAN na pi leh pute uh kianga achiam gam hoiha lutin, na luah thei ding uhi.
19Om al uw vijanden voor uw aangezicht te verdrijven, gelijk als de HEERE gesproken heeft.
19TOUPAN a gensa bangin, nama ua kipana na melmate uh tengteng hawlkhe dingin.
20Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en rechten, die de HEERE, onze God, ulieden geboden heeft?
20Huan, na tate un, TOUPA I Pathian un thu a honpiak thutheihsakna te, dan te, vaihawm te, bangchidan ahia? Chi a tununglam chainga a hondot chiang un,
21Zo zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Farao in Egypte; maar de HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd.
21Nou na tate uh kiangah, Aigupta gamah Pharo sikha I hi ua, TOUPAN Aigupta gam akipan khut hat takin a onpi khiaa:
22En de HEERE gaf tekenen, en grote en kwade wonderen, in Egypte, aan Farao en aan zijn ganse huis, voor onze ogen;
22Huan, TOUPAN I mitmuhin Aigupta gam tungah te, Pharo tungah te, a inkuanpihte tengteng tungah te, chiamtehna leh thil lamdang thupi mahmahte a musaka;
23En hij voerde ons van daar uit, opdat Hij ons inbracht, om ons het land te geven, dat Hij onzen vaderen gezworen had.
23Ei bel a honpiak dinga I pi leh pute kianga kichiama gam a honpiak theihna dingin huai akipan a honpi khiaa
24En de HEERE gebood ons te doen al deze inzettingen, om te vrezen den HEERE, onzen God, ons voor altoos ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk het te dezen dage is.
24Huchiin hiai dan tengteng jui ding leh I hoih tawntungna dingin TOUPA i Pathian laudansiam dingin TOUPAN thu a honpiaa, tuni banga mi hinga a honhawi theihna dingin.A thu honpiak banga TOUPA maa thupiak tengteng jui dinga I pilvan leh ei a dingin damna ahi ding hi, na chi ding uhi.
25En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.
25A thu honpiak banga TOUPA maa thupiak tengteng jui dinga I pilvan leh ei a dingin damna ahi ding hi, na chi ding uhi.