1Hoor, Israel! gij zult heden over de Jordaan gaan, dat gij inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan gij; steden, die groot en tot in den hemel gesterkt zijn;
1
«ای قوم اسرائیل بشنوید! شما امروز باید از رود اردن عبور کنید تا سرزمین آن طرف دریا را تصرّف کنید. مردمی که در آنجا زندگی میکنند بزرگتر و قویتر از شما هستند و شهرهای مستحکم و سر به فلک کشیده دارند.
2Een groot en lang volk, kinderen der Enakieten; die gij kent, en van welke gij gehoord hebt: Wie zou bestaan voor het aangezicht der kinderen van Enak?
2
آنها مردمی قد بلند و قوی هستند، آنها غولند و شما شنیدهاید که میگویند کیست که بتواند در برابر فرزندان عناق مقاومت کند.
3Zo zult gij heden weten, dat de HEERE, uw God, Degene is, Die voor uw aangezicht doorgaat, een verterend vuur: Die zal hen verdelgen, en Die zal hen voor uw aangezicht nederwerpen; en gij zult ze uit de bezitting verdrijven, en zult hen haastelijk te niet doen, gelijk als de HEERE tot u gesproken heeft.
3
بدانید امروز خداوند خدایتان پیش از شما مانند آتش سوزندهای به آنجا وارد میشود و آنها را نابود میکند و در مقابل شما تسلیم میسازد تا شما طبق وعدهٔ خداوند آنها را بیرون کنید و به سرعت نابود سازید.
4Wanneer hen nu de HEERE, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: De HEERE heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de HEERE voor uw aangezicht uit de bezitting.
4
«وقتی خداوند خدایتان آنها را از سر راهتان دور کرد، نگویید: 'چون ما مردمی نیک هستیم، خداوند ما را به اینجا آورد تا آن را تصرّف کنیم.' بلکه به سبب شرارت ساکنان آنجا بود که خداوند آنها را از آنجا بیرون راند.
5Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten, komt gij er henen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat de HEERE, uw God, aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.
5
بهخاطر عدالت و پاکی شما نیست که شما این سرزمین را تصرّف خواهید کرد، بلکه به دلیل شرارت این اقوام است که خداوند آنها را از پیش شما بیرون میکند تا وعدهای را که خداوند به نیاکان شما، یعنی ابراهیم، اسحاق و یعقوب داده است، عملی سازد.
6Weet dan, dat u de HEERE, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelve goede land geeft, om dat te erven; want gij zijt een hardnekkig volk.
6
باز میگویم که خداوند خدایتان بهخاطر اینکه شما مردم نیكی هستید، این سرزمین حاصلخیز را به شما نمیدهد. شما برعکس قوم سرکشی هستید.
7Gedenk, vergeet niet, dat gij den HEERE, uw God, in de woestijn, zeer vertoornd hebt; van dien dag af, dat gij uit Egypteland uitgegaan zijt, totdat gij kwaamt aan deze plaats, zijt gijlieden wederspannig geweest tegen den HEERE.
7
«بهخاطر داشته باشید و فراموش نکنید که چطور آتشِ خشم خداوند خدایتان را در بیابان برافروختید. از همان روزی که شما از سرزمین مصر خارج شدید و به این سرزمین آمدید، بارها در مقابل خداوند سرکشی کردهاید.
8Want aan Horeb vertoorndet gij den HEERE zeer, dat Hij Zich tegen u vertoornde, om u te verdelgen.
8
حتّی در کوه سینا هم او را به حدّی خشمگین ساختید که میخواست شما را از بین ببرد.
9Als ik op den berg geklommen was, om te ontvangen de stenen tafelen, de tafelen des verbonds, dat de HEERE met ulieden gemaakt had, toen bleef ik veertig dagen en veertig nachten op den berg, at geen brood, en dronk geen water.
9
هنگامیکه به بالای کوه رفتم تا لوحهای سنگی، یعنی لوحهای پیمانی را که خداوند با شما بست بگیرم، مدّت چهل شبانهروز گرسنه و تشنه در آنجا ماندم.
10En de HEERE gaf mij de twee stenen tafelen, met Gods vinger beschreven; en op dezelve, naar al de woorden, die de HEERE op den berg, uit het midden des vuurs, ten dage der verzameling, met ulieden gesproken had.
10
خداوند، دو لوح سنگی را که با انگشت خود نوشته شده بود، به من داد و بر آنها تمام سخنانی که خداوند در روز اجتماع، در کوه از میان آتش به شما گفته بود، نوشته بود.
11Zo geschiedde het, ten einde van veertig dagen en veertig nachten, als mij de HEERE de twee stenen tafelen, de tafelen des verbonds, gaf,
11
خداوند بعد از چهل شبانهروز، این دو لوح سنگی یعنی لوحهای پیمان را به من داد.
12Dat de HEERE tot mij zeide: Sta op, ga haastelijk af van hier; want uw volk, dat gij uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft het verdorven; zij zijn haastelijk afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.
12
«بعد خداوند به من فرمود: 'فوراً برخیز و پایین برو، زیرا آن مردمی را که از سرزمین مصر آوردی، همه فاسد شدهاند. به سرعت از راهی که من به آنها نشان داده بودم، منحرف شده و برای خود بُتی ساختهاند.'
13Voorts sprak de HEERE tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk.
13
«خداوند چنین فرمود: 'این قوم واقعاً مردمی سرکش هستند.
14Laat van Mij af, dat Ik hen verdelge, en hun naam van onder den hemel uitdoe; en Ik zal u tot een machtiger en meerder volk maken, dan dit is.
14
پس مرا بگذار که آنها را از بین ببرم و نامشان را از صفحهٔ روزگار محو کنم. آنگاه برای تو قومی قویتر و بزرگتر از آنها به وجود میآورم.'
15Toen keerde ik mij, en ging van den berg af; de berg nu brandde van vuur, en de twee tafelen des verbonds waren op beide mijn handen.
15
«درحالیکه کوه شعلهور بود، من دو لوح پیمان خداوند را در دست داشتم و از کوه پایین آمدم.
16En ik zag toe, en ziet, gij hadt tegen den HEERE, uw God, gezondigd; gij hadt u een gegoten kalf gemaakt; gij waart haastelijk afgeweken van den weg, dien u de HEERE geboden had.
16
آنگاه وقتی بت گوسالهای را که ساخته بودید دیدم، دانستم که شما به راستی در مقابل خداوند گناه ورزیدهاید و خیلی زود از احکام خداوند سرپیچی کردهاید.
17Toen vatte ik de twee tafelen, en wierp ze heen uit beide mijn handen, en brak ze voor uw ogen.
17
من لوحهایی را که در دست داشتم در برابر چشمانتان بر زمین زده شکستم.
18En ik wierp mij neder voor het aangezicht des HEEREN, als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die gij hadt gezondigd, doende dat kwaad is in des HEEREN ogen, om Hem tot toorn te verwekken.
18
بار دیگر مدّت چهل شبانهروز در حضور خداوند رو به خاک افتادم. نه نان خوردم و نه یک قطره آب نوشیدم. زیرا بهخاطر گناه شما و کارهای زشتی که کرده بودید، خداوند را به خشم آوردید.
19Want ik vreesde vanwege den toorn en de grimmigheid waarmede de HEERE zeer op ulieden vertoornd was, om u te verdelgen; doch de HEERE verhoorde mij ook op dat maal.
19
من میترسیدم که خداوند از شدّت خشم، شما را نابود سازد، امّا خداوند بار دیگر دعایم را قبول کرد.
20Ook vertoornde Zich de HEERE zeer tegen Aaron, om hem te verdelgen; doch ik bad ook ter zelver tijd voor Aaron.
20
خداوند چنان بر هارون هم خشمگین شد که میخواست او را هلاک کند، امّا من شفاعت او را نیز کردم.
21Maar uw zonde, het kalf, dat gij hadt gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van den berg afvliet.
21
بعد گوسالهای را که شما ساخته بودید در آتش سوزاندم و آن را خُرد کرده خوب ساییدم تا مانند غبار نرم شد و آن را در نهری که از کوه جاری بود ریختم.
22Ook vertoorndet gij den HEERE zeer te Thab-era en te Massa, en te Kibroth-Thaava.
22
«در تبعیره، مَسّا، قبروت و هتاوه هم خشم خداوند را برافروختید.
23Voorts als de HEERE ulieden zond uit dat land, dat Ik u gegeven heb; zo waart gij den mond des HEEREN, uws Gods, wederspannig, en geloofdet Hem niet, en waart Zijn stem niet gehoorzaam.
23
وقتیکه خداوند در قادش برنیع به شما گفت: 'به سرزمینی که به شما دادهام بروید و آن را تصاحب کنید،' شما امر خداوند خدایتان را بجا نیاوردید؛ به او اعتماد ننموده، و از او اطاعت نکردید.
24Wederspannig zijt gij geweest tegen den HEERE, van de dag af, dat ik u gekend heb.
24
از روزی که شما را میشناسم، علیه خداوند سرکشی کردهاید.
25En ik wierp mij neder voor des HEEREN aangezicht, die veertig dagen en veertig nachten, in welke ik mij nederwierp, dewijl de HEERE gezegd had, dat Hij u verdelgen zou.
25
«چون خداوند میخواست شما را از بین ببرد، من مدّت چهل شبانهروز در حضور او به خاک افتادم
26En ik bad tot den HEERE, en zeide: Heere, HEERE, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat Gij door Uw grootheid verlost hebt; dat Gij uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd.
26
و به درگاه او دعا کردم و گفتم: 'ای خداوند، خدای من، این مردم را که قوم تو هستند با قدرت عظیمت از مصر نجات دادی.
27Gedenk aan Uw knechten, Abraham, Izak en Jakob; zie niet op de hardigheid dezes volks, noch op zijn goddeloosheid, noch op zijn zonde;
27
بندگانت ابراهیم، اسحاق و یعقوب را بهیاد آور و از سرکشی، شرارت و گناه این مردم چشم بپوش،
28Opdat het land, van waar Gij ons hebt uitgevoerd, niet zegge: Omdat ze de HEERE niet kon brengen in het land, waarvan Hij hun gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze uitgevoerd, om hen te doden in de woestijn.
28
زیرا مردم مصر خواهند گفت: چون خداوند نتوانست آنها را به سرزمینی که وعده داده بود برساند و بهخاطر اینکه از آنها نفرت داشت آنها را از اینجا بیرون برد تا در بیابان هلاک شوند.
امّا این مردم، قوم تو هستند و تو آنها را با قدرت و بازوی توانایت به اینجا آوردی.'
29Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel, dat Gij door Uw grote kracht, en door Uw uitgestrekten arm hebt uitgevoerd!
29
امّا این مردم، قوم تو هستند و تو آنها را با قدرت و بازوی توانایت به اینجا آوردی.'