Dutch Staten Vertaling

Thai King James Version

John

6

1Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galilea, welke is de zee van Tiberias.
1ภายหลังเหตุการณ์เหล่านี้พระเยซูก็เสด็จไปข้ามทะเลกาลิลี คือทะเลทิเบเรียส
2En Hem volgde een grote schare, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de kranken.
2คนเป็นอันมากได้ตามพระองค์ไป เพราะเขาเหล่านั้นได้เห็นการอัศจรรย์ที่พระองค์ได้ทรงกระทำต่อบรรดาคนป่วย
3En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met Zijn discipelen.
3พระเยซูเสด็จขึ้นไปบนภูเขาและประทับกับเหล่าสาวกของพระองค์ที่นั่น
4En het pascha, het feest der Joden, was nabij.
4ขณะนั้นใกล้จะถึงปัสกาซึ่งเป็นเทศกาลเลี้ยงของพวกยิวแล้ว
5Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen?
5เมื่อพระเยซูทรงเงยพระพักตร์ทอดพระเนตรและเห็นคนเป็นอันมากพากันมาหาพระองค์ พระองค์จึงตรัสกับฟีลิปว่า "เราจะซื้ออาหารที่ไหนให้คนเหล่านี้กินได้"
6(Doch dit zeide Hij, hem beproevende; want Hij wist Zelf, wat Hij doen zou.)
6พระองค์ตรัสอย่างนั้นเพื่อจะลองใจฟีลิป เพราะพระองค์ทรงทราบแล้วว่าพระองค์จะทรงกระทำประการใด
7Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme.
7ฟีลิปทูลตอบพระองค์ว่า "สองร้อยเหรียญเดนาริอันก็ไม่พอซื้ออาหารให้เขากินกันคนละเล็กละน้อย"
8Een van Zijn discipelen, namelijk Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem:
8สาวกคนหนึ่งของพระองค์คืออันดรูว์น้องชายของซีโมนเปโตรทูลพระองค์ว่า
9Hier is een jongsken, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?
9"ที่นี่มีเด็กชายคนหนึ่งมีขนมบารลีห้าก้อนกับปลาเล็กๆสองตัว แต่เท่านั้นจะพออะไรกับคนมากอย่างนี้"
10En Jezus zeide: Doet de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal.
10พระเยซูตรัสว่า "ให้คนทั้งปวงนั่งลงเถิด" ที่นั่นมีหญ้ามาก คนเหล่านั้นจึงนั่งลง นับแต่ผู้ชายได้ประมาณห้าพันคน
11En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; desgelijks ook van de visjes, zoveel zij wilden.
11แล้วพระเยซูก็ทรงหยิบขนมปังนั้น และเมื่อขอบพระคุณแล้ว ก็ทรงแจกแก่พวกสาวก และพวกสาวกแจกแก่บรรดาคนที่นั่งอยู่นั้น และให้ปลาด้วยตามที่เขาปรารถนา
12En als zij verzadigd waren, zeide Hij tot Zijn discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga.
12เมื่อเขาทั้งหลายกินอิ่มแล้วพระองค์ตรัสกับเหล่าสาวกของพระองค์ว่า "จงเก็บเศษอาหารที่เหลือไว้ เพื่อไม่ให้มีสิ่งใดเสียไป"
13Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, welke overgeschoten waren dengenen, die gegeten hadden.
13เขาจึงเก็บเศษขนมบารลีห้าก้อนซึ่งเหลือจากที่คนทั้งหลายได้กินแล้วนั้น ใส่กระบุงได้สิบสองกระบุงเต็ม
14De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou.
14เมื่อคนเหล่านั้นได้เห็นการอัศจรรย์ซึ่งพระเยซูได้ทรงกระทำ เขาก็พูดกันว่า "แท้จริงท่านผู้นี้เป็นศาสดาพยากรณ์นั้นที่ทรงกำหนดให้เข้ามาในโลก"
15Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem Koning maakten, ontweek wederom op den berg, Hij Zelf alleen.
15เมื่อพระเยซูทรงทราบว่า เขาทั้งหลายจะมาจับพระองค์ไปตั้งให้เป็นกษัตริย์ พระองค์ก็เสด็จไปที่ภูเขาอีกแต่ลำพัง
16En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee.
16พอค่ำลงเหล่าสาวกของพระองค์ก็ได้ลงไปที่ทะเล
17En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapernaum. En het was alrede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen.
17แล้วลงเรือข้ามฟากไปยังเมืองคาเปอรนาอุม มืดแล้วแต่พระเยซูก็ยังมิได้เสด็จไปถึงเขา
18En de zee verhief zich, overmits er een grote wind waaide.
18ทะเลก็กำเริบขึ้นเพราะลมพัดกล้า
19En als zij omtrent vijf en twintig of dertig stadien gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd.
19เมื่อเขาทั้งหลายตีกรรเชียงไปได้ประมาณห้าหกกิโลเมตร เขาก็เห็นพระเยซูเสด็จดำเนินมาบนทะเลใกล้เรือ เขาต่างก็ตกใจกลัว
20Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het; zijt niet bevreesd.
20แต่พระองค์ตรัสแก่เขาว่า "นี่เป็นเราเอง อย่ากลัวเลย"
21Zij hebben dan Hem gewilliglijk in het schip genomen; en terstond kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren.
21ดังนั้นเขาจึงรับพระองค์ขึ้นเรือด้วยความเต็มใจ แล้วทันใดนั้นเรือก็ถึงฝั่งที่เขาจะไปนั้น
22Des anderen daags de schare, die aan de andere zijde der zee stond, ziende, dat aldaar geen ander scheepje was dan dat ene, daar Zijn discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met Zijn discipelen in dat scheepje niet was gegaan, maar dat Zijn discipelen alleen weggevaren waren;
22วันรุ่งขึ้น เมื่อคนที่อยู่ฝั่งข้างโน้นเห็นว่าไม่มีเรืออื่นที่นั่น เว้นแต่ลำที่เหล่าสาวกของพระองค์ลงไปเพียงลำเดียว และเห็นว่าพระเยซูมิได้เสด็จลงเรือลำนั้นไปกับเหล่าสาวก แต่เหล่าสาวกของพระองค์ไปตามลำพังเท่านั้น
23(Doch er kwamen andere scheepjes van Tiberias, nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, als de Heere gedankt had.)
23(แต่มีเรือลำอื่นมาจากทิเบเรียส ใกล้สถานที่ที่เขาได้กินขนมปัง หลังจากที่องค์พระผู้เป็นเจ้าได้ทรงขอบพระคุณแล้ว)
24Toen dan de schare zag, dat Jezus aldaar niet was, noch Zijn discipelen, zo gingen zij ook in de schepen, en kwamen te Kapernaum, zoekende Jezus.
24เหตุฉะนั้นเมื่อประชาชนเห็นว่า พระเยซูและเหล่าสาวกไม่ได้อยู่ที่นั่น เขาจึงลงเรือไปและตามหาพระเยซูที่เมืองคาเปอรนาอุม
25En als zij Hem gevonden hadden over de zee, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen?
25ครั้นเขาได้พบพระองค์ที่ฝั่งทะเลข้างโน้นแล้ว เขาทั้งหลายทูลพระองค์ว่า "รับบี ท่านมาที่นี่เมื่อไร"
26Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt, en verzadigd zijt.
26พระเยซูตรัสตอบเขาว่า "เราบอกความจริงแก่ท่านทั้งหลายว่า ท่านทั้งหลายตามหาเรามิใช่เพราะได้เห็นการอัศจรรย์นั้น แต่เพราะได้กินขนมปังอิ่ม
27Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen ulieden geven zal; want Dezen heeft God de Vader verzegeld.
27อย่าขวนขวายหาอาหารที่ย่อมเสื่อมสูญไป แต่จงหาอาหารที่ดำรงอยู่ถึงชีวิตนิรันดร์ซึ่งบุตรมนุษย์จะให้แก่ท่าน เพราะพระเจ้าคือพระบิดาได้ทรงประทับตรามอบอำนาจแก่พระบุตรแล้ว"
28Zij zeiden dan tot Hem: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?
28แล้วเขาทั้งหลายก็ทูลพระองค์ว่า "ข้าพเจ้าทั้งหลายจะต้องทำประการใด จึงจะทำงานของพระเจ้าได้"
29Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft.
29พระเยซูตรัสตอบเขาว่า "งานของพระเจ้านั้นคือการที่ท่านเชื่อในท่านที่พระองค์ทรงใช้มานั้น"
30Zij zeiden dan tot Hem: Wat teken doet Gij dan, opdat wij het mogen zien, en U geloven? Wat werkt Gij?
30เขาทั้งหลายจึงทูลพระองค์ว่า "ถ้าเช่นนั้น ท่านจะกระทำหมายสำคัญอะไร เพื่อข้าพเจ้าทั้งหลายจะเห็นและเชื่อในท่าน ท่านจะกระทำการอะไรบ้าง
31Onze vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn; gelijk geschreven is: Hij gaf hun het brood uit den hemel te eten.
31บรรพบุรุษของข้าพเจ้าทั้งหลายได้กินมานาในถิ่นทุรกันดารนั้น ตามที่มีคำเขียนไว้ว่า `ท่านได้ให้เขากินอาหารจากสวรรค์'"
32Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel; maar Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit den hemel.
32พระเยซูจึงตรัสกับเขาว่า "เราบอกความจริงแก่ท่านทั้งหลายว่า มิใช่โมเสสที่ให้อาหารจากสวรรค์นั้นแก่ท่าน แต่พระบิดาของเราประทานอาหารแท้ซึ่งมาจากสวรรค์ให้แก่ท่านทั้งหลาย
33Want het Brood Gods is Hij, Die uit den hemel nederdaalt, en Die der wereld het leven geeft.
33เพราะว่าอาหารของพระเจ้านั้น คือท่านที่ลงมาจากสวรรค์ และประทานชีวิตให้แก่โลก"
34Zij zeiden dan tot Hem: Heere, geef ons altijd dit Brood.
34เขาทั้งหลายจึงทูลพระองค์ว่า "พระองค์เจ้าข้า โปรดให้อาหารนั้นแก่ข้าพเจ้าทั้งหลายเสมอไปเถิด"
35En Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.
35พระเยซูตรัสกับเขาว่า "เราเป็นอาหารแห่งชีวิต ผู้ที่มาหาเราจะไม่หิวอีก และผู้ที่เชื่อในเราจะไม่กระหายอีกเลย
36Maar Ik heb u gezegd, dat gij Mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet.
36แต่เราได้บอกท่านทั้งหลายแล้วว่า ท่านได้เห็นเราแล้วแต่ก็ไม่เชื่อ
37Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.
37สารพัดที่พระบิดาทรงประทานแก่เราจะมาสู่เรา และผู้ที่มาหาเรา เราก็จะไม่ทิ้งเขาเลย
38Want Ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft.
38เพราะว่าเราได้ลงมาจากสวรรค์ มิใช่เพื่อกระทำตามความประสงค์ของเราเอง แต่เพื่อกระทำตามพระประสงค์ของพระองค์ผู้ทรงใช้เรามา
39En dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage.
39และพระประสงค์ของพระบิดาผู้ทรงใช้เรามานั้น ก็คือให้เรารักษาบรรดาผู้ที่พระองค์ได้ทรงมอบไว้กับเรา มิให้หายไปสักคนเดียว แต่ให้ฟื้นขึ้นมาในวันที่สุด
40En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.
40เพราะนี่แหละเป็นพระประสงค์ของผู้ที่ทรงใช้เรามานั้น ที่จะให้ทุกคนที่เห็นพระบุตร และเชื่อในพระบุตรได้มีชีวิตนิรันดร์ และเราจะให้ผู้นั้นฟื้นขึ้นมาในวันสุดท้าย"
41De Joden dan murmureerden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood, Dat uit den hemel nedergedaald is.
41พวกยิวจึงบ่นพึมพำกันเรื่องพระองค์เพราะพระองค์ตรัสว่า "เราเป็นอาหารซึ่งลงมาจากสวรรค์"
42En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit den hemel nedergedaald?
42เขาทั้งหลายว่า "คนนี้เป็นเยซูลูกชายของโยเซฟมิใช่หรือ พ่อแม่ของเขาเราก็รู้จัก เหตุใดคนนี้จึงพูดว่า `เราได้ลงมาจากสวรรค์'"
43Jezus antwoordde dan, en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander.
43พระเยซูจึงตรัสตอบเขาเหล่านั้นว่า "อย่าบ่นกันเลย
44Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.
44ไม่มีผู้ใดมาถึงเราได้นอกจากพระบิดาผู้ทรงใช้เรามาจะทรงชักนำให้เขามา และเราจะให้ผู้นั้นฟื้นขึ้นมาในวันสุดท้าย
45Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.
45มีคำเขียนไว้ในคัมภีร์ศาสดาพยากรณ์ว่า `ทุกคนจะเรียนรู้จากพระเจ้า' เหตุฉะนั้นทุกคนที่ได้ยินได้ฟัง และได้เรียนรู้จากพระบิดาก็มาถึงเรา
46Niet dat iemand den Vader gezien heeft, dan Die van God is; Deze heeft den Vader gezien.
46ไม่มีผู้ใดได้เห็นพระบิดา นอกจากท่านที่มาจากพระเจ้า ท่านนั้นแหละได้เห็นพระบิดาแล้ว
47Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.
47เราบอกความจริงแก่ท่านทั้งหลายว่า ผู้ที่เชื่อในเราก็มีชีวิตนิรันดร์
48Ik ben het Brood des levens.
48เราเป็นอาหารแห่งชีวิตนั้น
49Uw vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven.
49บรรพบุรุษของท่านทั้งหลายได้กินมานาในถิ่นทุรกันดารและสิ้นชีวิต
50Dit is het Brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mens daarvan ete, en niet sterve.
50แต่นี่เป็นอาหารที่ลงมาจากสวรรค์ เพื่อให้ผู้ที่ได้กินแล้วไม่ตาย
51Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld.
51เราเป็นอาหารที่ธำรงชีวิตซึ่งลงมาจากสวรรค์ ถ้าผู้ใดกินอาหารนี้ ผู้นั้นจะมีชีวิตนิรันดร์ และอาหารที่เราจะให้เพื่อเป็นชีวิตของโลกนั้นก็คือเนื้อของเรา"
52De Joden dan streden onder elkander, zeggende: Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven?
52แล้วพวกยิวก็ทุ่มเถียงกันว่า "ผู้นี้จะเอาเนื้อของเขาให้เรากินได้อย่างไร"
53Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven.
53พระเยซูจึงตรัสกับเขาว่า "เราบอกความจริงแก่ท่านทั้งหลายว่า ถ้าท่านไม่กินเนื้อและดื่มโลหิตของบุตรมนุษย์ ท่านก็ไม่มีชีวิตในตัวท่าน
54Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.
54ผู้ที่กินเนื้อและดื่มโลหิตของเราก็มีชีวิตนิรันดร์ และเราจะให้ผู้นั้นฟื้นขึ้นมาในวันสุดท้าย
55Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank.
55เพราะว่าเนื้อของเราเป็นอาหารแท้และโลหิตของเราก็เป็นของดื่มแท้
56Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem.
56ผู้ที่กินเนื้อและดื่มโลหิตของเรา ผู้นั้นก็อยู่ในเราและเราอยู่ในเขา
57Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik leve door den Vader; alzo die Mij eet, dezelve zal leven door Mij.
57พระบิดาผู้ทรงดำรงพระชนม์ได้ทรงใช้เรามาและเรามีชีวิตเพราะพระบิดานั้นฉันใด ผู้ที่กินเรา ผู้นั้นก็จะมีชีวิตเพราะเราฉันนั้น
58Dit is het Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uw vaders het Manna gegeten hebben, en zijn gestorven. Die dit Brood eet, zal in der eeuwigheid leven.
58นี่แหละเป็นอาหารซึ่งลงมาจากสวรรค์ ไม่เหมือนกับมานาที่พวกบรรพบุรุษของท่านได้กินและสิ้นชีวิต ผู้ที่กินอาหารนี้จะมีชีวิตนิรันดร์"
59Deze dingen zeide Hij in de synagoge, lerende te Kapernaum.
59คำเหล่านี้พระองค์ได้ตรัสในธรรมศาลา ขณะที่พระองค์ทรงสั่งสอนอยู่ที่เมืองคาเปอรนาอุม
60Velen dan van Zijn discipelen, dit horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan dezelve horen?
60ดังนั้นเมื่อเหล่าสาวกของพระองค์หลายคนได้ฟังเช่นนั้นก็พูดว่า "ถ้อยคำเหล่านี้ยากนัก ใครจะฟังได้"
61Jezus nu, wetende bij Zichzelven, dat Zijn discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen: Ergert ulieden dit?
61เมื่อพระเยซูทรงทราบเองว่าเหล่าสาวกของพระองค์บ่นถึงเรื่องนั้น พระองค์จึงตรัสกับเขาว่า "เรื่องนี้ทำให้ท่านทั้งหลายลำบากใจหรือ
62Wat zou het dan zijn, zo gij de Zoon des mensen zaagt opvaren, daar Hij te voren was?
62ถ้าท่านจะได้เห็นบุตรมนุษย์เสด็จขึ้นไปยังที่ที่ท่านอยู่แต่ก่อนนั้น ท่านจะว่าอย่างไร
63De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.
63จิตวิญญาณเป็นที่ให้มีชีวิต ส่วนเนื้อหนังไม่มีประโยชน์อันใด ถ้อยคำซึ่งเราได้กล่าวกับท่านทั้งหลายนั้น เป็นจิตวิญญาณและเป็นชีวิต
64Maar er zijn sommigen van ulieden, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie zij waren, die niet geloofden, en wie hij was, die Hem verraden zou.
64แต่ในพวกท่านมีบางคนที่ไม่เชื่อ" เพราะพระเยซูทรงทราบแต่แรกว่าผู้ใดไม่เชื่อ และเป็นผู้ใดที่จะทรยศพระองค์ไว้
65En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader.
65และพระองค์ตรัสว่า "เหตุฉะนั้นเราจึงได้บอกท่านทั้งหลายว่า `ไม่มีผู้ใดจะมาถึงเราได้ นอกจากพระบิดาของเราจะทรงโปรดประทานให้ผู้นั้น'"
66Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.
66ตั้งแต่นั้นมาสาวกของพระองค์หลายคนก็ท้อถอยไม่ติดตามพระองค์อีกต่อไป
67Jezus dan zeide tot de twaalven: Wilt gijlieden ook niet weggaan?
67พระเยซูตรัสกับสิบสองคนนั้นว่า "ท่านทั้งหลายก็จะจากเราไปด้วยหรือ"
68Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.
68ซีโมนเปโตรทูลตอบพระองค์ว่า "พระองค์เจ้าข้า พวกข้าพระองค์จะจากไปหาผู้ใดเล่า พระองค์มีถ้อยคำซึ่งให้มีชีวิตนิรันดร์
69En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.
69และข้าพระองค์ทั้งหลายก็เชื่อและแน่ใจแล้วว่า พระองค์ทรงเป็นพระคริสต์พระบุตรของพระเจ้าผู้ทรงดำรงพระชนม์"
70Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? En een uit u is een duivel.
70พระเยซูตรัสตอบเขาว่า "เราเลือกพวกท่านสิบสองคนมิใช่หรือ และคนหนึ่งในพวกท่านเป็นมารร้าย"
71En Hij zeide dit van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde een van de twaalven.
71พระองค์ทรงหมายถึงยูดาสอิสคาริโอทบุตรชายซีโมน เพราะว่าเขาเป็นผู้ที่จะทรยศพระองค์ไว้ คือคนหนึ่งในอัครสาวกสิบสองคน