1Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels!
1RABbin sana ne söylediğini dinle, ey İsrail halkı!
2Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.
2RAB şöyle diyor:‹‹Ulusların yolunu öğrenmeyin,Gök belirtilerinden yılmayın;Bu belirtilerden uluslar yılsa bile.
3Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.
3Ulusların töreleri yararsızdır.Ormandan ağaç keserler,Usta keskisiyle ona biçim verir.
4Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele.
4Altınla, gümüşle süsler,Çekiçle, çivilerle sağlamlaştırırlar;Yerinden kımıldamasın diye.
5Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.
5Salatalık bostanındaki korkuluk gibidir putları,Konuşamazlar;Onları taşımak gerek, çünkü yürüyemezler.Onlardan korkmayın, zarar veremezler;İyilik de edemezler.››
6Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid.
6Senin gibisi yok, ya RAB,Sen büyüksün,Adın da büyüktür gücün sayesinde.
7Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.
7Senden kim korkmaz,Ey ulusların kralı?Bu sana yakışır.Ulusların bilgeleri arasında,Bütün ülkelerindeSenin gibisi yok.
8In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.
8Hepsi budala ve akılsız.Yararsız putlardan ne öğrenilebilir ki?Ağaçtan yapılmış onlar!
9Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen.
9Tarşişten dövme gümüş,Ufazdan altın getirilir.Ustayla kuyumcunun yaptığı nesnenin üzerineLacivert, mor giydirilir,Hepsi usta işidir.
10Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
10Ama gerçek Tanrı RABdir.O yaşayan Tanrıdır,Sonsuza dek kral Odur.O öfkelenince yeryüzü titrer,Uluslar dayanamaz gazabına.
11(Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.)
11‹‹Onlara şunu diyeceksin,‹Yeri, göğü yaratmayan bu ilahlar,Yerden de göğün altından da yok olacaklar.› ››
12Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.
12Gücüyle yeryüzünü yaratan,Bilgeliğiyle dünyayı kuran,Aklıyla gökleri yayan RABdir.
13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
13O gürleyince gökteki sular çağıldar,Yeryüzünün dört bucağından bulutlar yükseltir,Yağmur için şimşek çaktırır,Ambarlarından rüzgar estirir.
14Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.
14Hepsi budala, bilgisiz,Her kuyumcu yaptığı puttan utanacak.O putlar yapmacıktır,Soluk yoktur onlarda.
15Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
15Yararsız, alay edilesi nesnelerdir,Cezalandırılınca yok olacaklar.
16Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israel is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
16Yakupun Payı onlara benzemez.Her şeye biçim veren Odur,Onun mirasıdır İsrail oymağı,Her Şeye Egemen RABdir adı.
17Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting!
17Kuşatma altında olan sizler,Eşyalarınızı toplayın yerden.
18Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden.
18RAB diyor ki,‹‹İşte bu kez bu ülkede yaşayanlarıFırlatıp atacağım;Ele geçirilmeleri içinOnları sıkıştıracağım.››
19O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!
19Yaramdan ötürü vay başıma gelen!Derdim iyileşmez!Ama, ‹Dert benim derdim,Dayanmalıyım› dedim.
20Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.
20Çadırım yıkıldı, ipleri koptu.Çocuklarım benden ayrıldı,Yok artık onlar.Çadırımı kuracak,Perdelerimi takacak kimse kalmadı.
21Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid.
21Çobanlar budala,RABbe danışmıyorlar.Bu yüzden işleri yolunda gitmiyor,Bütün sürüleri dağıldı.
22Ziet, er komt een stem des geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken.
22Dinle! Haber geliyor!Kuzey ülkesinden büyük patırtı geliyor!Yahuda kentlerini viraneye çevirecek,Çakallara barınak edecek.
23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
23İnsanın yaşamının kendi elinde olmadığını,Adımlarına yön vermenin ona düşmediğiniBiliyorum, ya RAB.
24Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.
24Beni öfkenle değil,Yalnız adaletinle yola getir, ya RAB,Yoksa beni hiçe indirirsin.
25Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.
25Öfkeni seni tanımayan ulusların,Adını anmayan toplulukların üzerine dök.Çünkü onlar Yakup soyunu yiyip bitirdiler,Onu tümüyle yok ettiler,Yurdunu viraneye çevirdiler.