1Ne faru al vi idolojn, kaj figurojn kaj statuojn ne starigu cxe vi, kaj sxtonojn kun bildoj ne kusxigu en via lando, por adorklinigxi super ili:cxar Mi estas la Eternulo, via Dio.
1Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!
2Miajn sabatojn observu, kaj Mian sanktejon respektegu:Mi estas la Eternulo.
2Mijn sabbatten zult gij houden, en Mijn heiligdommen zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!
3Se vi agos laux Miaj legxoj kaj observos Miajn ordonojn kaj plenumos ilin,
3Indien gij in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult;
4tiam Mi donos al vi pluvojn iliatempe, kaj la tero donos siajn produktajxojn, kaj la kampa arbo donos siajn fruktojn.
4Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijn vrucht geven;
5Kaj la tempo de drasxado dauxros cxe vi gxis la enkolektado de la vinberoj, kaj la enkolektado de vinberoj dauxros gxis la semado, kaj vi mangxos vian panon sate kaj vi logxos sendangxere en via lando.
5En de dorstijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult uw brood eten tot verzadiging toe, en gij zult zeker in uw land wonen.
6Kaj Mi donos pacon al via lando, kaj kiam vi kusxos, neniu vin timigos; kaj Mi forigos la malbonajn bestojn el la lando, kaj glavo ne trapasos vian landon.
6Ook zal Ik vrede geven in het land, dat gij zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.
7Kaj vi pelos viajn malamikojn, kaj ili falos antaux vi de glavo.
7En gij zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
8Kaj kvin al vi pelos centon, kaj cent el vi pelos dekmilon; kaj viaj malamikoj falos antaux vi de glavo.
8Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
9Kaj Mi turnos Min al vi kaj kreskigos vin kaj multigos vin, kaj Mi fortikigos Mian interligon kun vi.
9En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen.
10Kaj vi mangxos grenon malnovan pasintjaran, kaj vi elportos la malnovan pro la nova.
10En gij zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult gij vanwege het nieuwe uitbrengen.
11Kaj Mi starigos Mian logxejon inter vi, kaj Mia animo vin ne abomenos.
11En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.
12Kaj Mi iros inter vi, kaj Mi estos via Dio, kaj vi estos Mia popolo.
12En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn.
13Mi estas la Eternulo, via Dio, kiu elkondukis vin el la lando Egipta, por ke vi ne estu iliaj sklavoj; kaj Mi rompis la bastonojn de via jugo kaj ekirigis vin kun levita kapo.
13Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land der Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat gij hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan.
14Sed se vi ne obeos Min kaj ne faros cxiujn cxi tiujn ordonojn;
14Maar indien gij Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen;
15kaj se vi malestimos Miajn legxojn kaj se via animo abomenos Miajn decidojn, kaj vi ne plenumos cxiujn Miajn ordonojn, rompante Mian interligon:
15En zo gij Mijn inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat gij niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen;
16tiam ankaux Mi faros al vi tion:Mi sendos sur vin teruron, maldikigxon, kaj febron, kiuj konsumas la okulojn kaj senfortigas la animon; kaj vi semos viajn semojn vane, ilin mangxos viaj malamikoj.
16Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; gij zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten.
17Kaj Mi turnos Mian vizagxon kontraux vin, kaj vi falos antaux viaj malamikoj, kaj regos vin viaj malamantoj, kaj vi kuros, kiam neniu pelos vin.
17Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen ulieden zetten, dat gij geslagen zult worden voor het aangezicht uwer vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben, en gij zult vlieden, als u iemand vervolgt.
18Kaj se vi malgraux cxi tio ne obeos Min, tiam Mi sepoble pligrandigos la punon pro viaj pekoj.
18En zo gij Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toe doen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen.
19Kaj Mi rompos vian fieran obstinecon, kaj Mi faros vian cxielon kiel fero kaj vian teron kiel kupro.
19Want Ik zal de hovaardigheid uwer kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper.
20Kaj vane konsumigxos via forto; via tero ne donos siajn produktajxojn, kaj la arboj de la tero ne donos siajn fruktojn.
20En uw macht zal ijdelijk verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte des lands zal zijn vrucht niet geven.
21Kaj se vi malgraux tio spitos Min kaj ne volos obei Min, tiam Mi aldonos sepoble da frapoj laux viaj pekoj.
21En zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen.
22Kaj Mi venigos sur vin la sovagxajn bestojn, kaj ili formangxos viajn infanojn kaj ekstermos viajn brutojn kaj malmultigos vin tiel, ke viaj vojoj dezertigxos.
22Want Ik zal onder u zenden het gedierte des velds, hetwelk u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.
23Se ankaux per tio vi ne humiligxos, sed plue agos kontraux Mi:
23Indien gij nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen;
24tiam ankaux Mi agos kontraux vi, kaj Mi ankaux frapos vin sepoble pro viaj pekoj.
24Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan.
25Kaj Mi venigos sur vin vengxan glavon, kiu vengxos pro la interligo; kaj vi kolektigxos en viaj urboj, kaj Mi sendos peston en vian mezon, kaj vi estos fordonitaj en la manojn de la malamiko.
25Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak des verbonds wreken zal, zodat gij in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand des vijands overgegeven worden.
26Kiam Mi rompos al vi la apogon de la pano, tiam dek virinoj bakos vian panon en unu forno kaj redonos vian panon pesante, kaj vi mangxos kaj ne satigxos.
26Als Ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en gij zult eten, maar niet verzadigd worden.
27Kaj se vi malgraux tio ne obeos Min, kaj spitos Min:
27Als gij ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid;
28tiam Mi iros kontraux vin kolere, kaj Mi punos vin sepoble pro viaj pekoj.
28Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.
29Kaj vi mangxos la karnon de viaj filoj, kaj la karnon de viaj filinoj vi mangxos.
29Want gij zult het vlees uwer zonen eten, en het vlees uwer dochteren zult gij eten.
30Kaj Mi detruos viajn altajxojn kaj ruinigos viajn kolonojn de la suno, kaj Mi jxetos viajn kadavrojn sur la rompitajxojn de viaj idoloj, kaj Mia animo abomenos vin.
30En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
31Kaj Mi faros el viaj urboj dezerton, kaj Mi ruinigos viajn sanktejojn, kaj Mi ne flaros viajn agrablajn odorajxojn.
31En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.
32Kaj Mi dezertigos la teron, ke miregos pri gxi viaj malamikoj, kiuj eklogxos sur gxi.
32Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen.
33Kaj vin Mi disjxetos inter la popolojn, kaj Mi nudigos post vi glavon; kaj via tero estos dezerta kaj viaj urboj estos ruinigitaj.
33Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.
34Tiam la tero ricevos kontentigon pri siaj sabatoj dum la tuta tempo de sia dezerteco, kiam vi estos en la lando de viaj malamikoj; tiam ripozos la tero kaj kontentigos sin pri siaj sabatoj.
34Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen der verwoesting, en gij zult in het land uwer vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben.
35Dum la tuta tempo de dezerteco gxi ripozos, kiom gxi ne ripozis en viaj sabatoj, kiam vi logxis sur gxi.
35Al de dagen der verwoesting zal het rusten, overmits het niet rustte in uw sabbatten, als gij daarin woondet.
36Kaj al la restintoj el vi Mi sendos timon en ilian koron en la lando de iliaj malamikoj; kaj pelos ilin brueto de falanta folio, kaj ili kuros, kiel oni kuras de glavo, kaj ili falos, kiam neniu ilin persekutos.
36En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen hunner vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vlieden, gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt.
37Kaj ili falos unu sur alian, kiel de glavo, dum neniu ilin pelos; kaj vi ne havos forton por stari antaux viaj malamikoj.
37En zij zullen de een op den ander als voor het zwaard vallen, waar niemand is, die jaagt; en gij zult voor het aangezicht uwer vijanden niet kunnen bestaan.
38Kaj vi pereos inter la popoloj, kaj formangxos vin la lando de viaj malamikoj.
38Maar gij zult omkomen onder de heidenen, en het land uwer vijanden zal u verteren.
39Kaj la restintoj el vi senfortigxos pro siaj pekoj en la landoj de viaj malamikoj, kaj ankaux pro la pekoj de siaj patroj ili senfortigxos.
39En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen uwer vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij met hen uitteren.
40Tiam ili konfesos sian kulpon kaj la kulpon de siaj patroj en la malbonagoj, kiujn ili faris kontraux Mi kaj pri kio ili spitis Min.
40Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmede zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben.
41Ankaux Mi iris kontraux ilin kaj envenigis ilin en la landon de iliaj malamikoj; kaj se tiam humiligxos ilia koro ne cirkumcidita kaj se ili donos kontentigon pri siaj pekoj,
41Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben;
42tiam Mi rememoros Mian interligon kun Jakob, kaj Mian interligon kun Isaak kaj Mian interligon kun Abraham Mi rememoros, kaj la landon Mi rememoros.
42Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken;
43La lando estos forlasita de ili kaj ricevos kontentigon pri siaj sabatoj, kiam gxi dezertigxos post ili; kaj ili donos kontentigon pri siaj kulpoj, cxar ili malrespektis Miajn decidojn kaj Miajn legxojn ilia animo abomenis.
43Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had.
44Kaj tamen, kiam ili estos en la lando de siaj malamikoj, Mi ne malestimos ilin, kaj ne abomenos ilin tiom, por ekstermi ilin, por neniigi Mian interligon kun ili; cxar Mi estas la Eternulo, ilia Dio.
44En hierenboven is dit ook; als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de HEERE, hun God!
45Kaj Mi rememoros por ili la interligon kun la antauxuloj, kiujn Mi elkondukis el la lando Egipta antaux la okuloj de la popoloj, por esti ilia Dio:Mi estas la Eternulo.
45Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God ware; Ik ben de HEERE!
46Tio estas la legxoj kaj decidoj kaj instruoj, kiujn starigis la Eternulo inter Si kaj la Izraelidoj sur la monto Sinaj per Moseo.
46Dit zijn die inzettingen, en die rechten, en die wetten, welke de HEERE gegeven heeft, tussen Zich en tussen de kinderen Israels, op den berg Sinai, door de hand van Mozes.