1Zvino Jehovha wakati kuna Samueri, Uchachema Sauro kusvikira rinhiko, zvandakamuramba ini, kuti arege kuva mambo waIsiraeri? Zadza gonamombe rako namafuta, uende, ndikutume kuna Jese muBheterehemu; nekuti ndakazvitsvakira mambo pakati pavana vake.
1Toen zeide de HEERE tot Samuel: Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israel? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isai, den Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien.
2Samueri akati, Ndingaenda seiko? Kana Sauro akazvinzwa, uchandiuraya. Jehovha akati, Enda netsiru, uti, Ndauya kuzobayira Jehovha.
2Maar Samuel zeide: Hoe zou ik heengaan? Saul zal het toch horen en mij doden. Toen zeide de HEERE: Neem een kalf van de runderen met u, en zeg: Ik ben gekomen, om den HEERE offerande te doen.
3Zvino udane Jese auye kuchibayiro, ini ndichakuzivisa zvaunofanira kuita, ugondizodzera wandichakuratidza.
3En gij zult Isai ten offer nodigen, en Ik zal u te kennen geven, wat gij doen zult, en gij zult Mij zalven, dien Ik u zeggen zal.
4Samueri akaita zvakataurwa naJehovha, akaenda Bheterehemu. Vakuru veguta vakandosangana naye, vachibvunda, vakati, Mauya norugare here?
4Samuel nu deed, hetgeen de HEERE gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen kwamen de oudsten der stad bevende hem tegemoet, en zeiden: Is uw komst met vrede?
5Akati, Hongu, norugare; ndauya kuzobayira Jehovha, muzvinatsei, muende neni kundobayira. Ipapo akanatsa Jese navanakomana vake, akavadana kuchibayiro.
5Hij dan zeide: Met vrede; ik ben gekomen om den HEERE offerande te doen; heiligt u, en komt met mij ten offer; en hij heiligde Isai en zijn zonen, en hij nodigde hen ten offer.
6Zvino vakati vasvika, akatarira Eriabhu, akati, Zvirokwazvo, muzodzwa waJehovha uri pamberi pake.
6En het geschiedde, toen zij inkwamen, zo zag hij Eliab aan, en dacht: Zekerlijk, is deze voor den HEERE, Zijn gezalfde.
7Asi Jehovha wakati kuna Samueri, Usatarira chiso chake, kana mumhu wake, nekuti ndamuramba; nekuti Jehovha haawoni somunhu, nekuti munhu unotarira zviri pamberi pameso, asi Jehovha unotarira zviri pamoyo.
7Doch de HEERE zeide tot Samuel: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.
8Zvino Jese akadana Abhinadhabhu, akamupfuudza pamberi paSamueri. Akati, Kunyange nouyu Jehovha haana kumutsaura.
8Toen riep Isai Abinadab, en hij deed hem voorbij het aangezicht van Samuel gaan; doch hij zeide: Dezen heeft de HEERE ook niet verkoren.
9Zvino Jese akapfuudza Shama. Akati, Nouyu Jehovha haana kumutsaura.
9Daarna liet Isai Samma voorbijgaan; doch hij zeide: Dezen heeft de HEERE ook niet verkoren.
10Jese akapfuudza vanomwe vavanakomana vake pamberi paSamueri. Samueri akati kuna Jese, Jehovha haana kutsaura ava.
10Alzo liet Isai zijn zeven zonen voorbij het aangezicht van Samuel gaan; doch Samuel zeide tot Isai: De HEERE heeft dezen niet verkoren.
11Zvino Samueri akati kuna Jese, Vana vako varipano vose here? Akati, Muduku kuna vose ndiye wasara; tarirai unorisa makwai. Samueri akati kuna Jese, Tuma munhu amutore, nekuti hatingagari pakudya kusvika iye auya pano.
11Voorts zeide Samuel tot Isai: Zijn dit al de jongelingen? En hij zeide: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuel nu zeide tot Isai: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn.
12Akatuma munhu, akapinda naye. Zvino wakange ari -mutsvuku, akanaka kumeso, ano muviri wakanaka. Jehovha akati, Simuka, umuzodze, nekuti ndiye.
12Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, mitsgaders schoon van ogen en schoon van aanzien; en HEERE zeide: Sta op, zalf hem, want deze is het.
13Ipapo Samueri akatora gonamombe ramafuta, akamuzodza pakati pehama dzake. Mweya waJehovha akauya pamusoro paDhavhidhi nesimba, kubva pazuva iro zvichienda mberi. Zvino Samueri akasimuka, akaenda Rama.
13Toen nam Samuel den oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden zijner broederen. En de Geest des HEEREN werd vaardig over David van dien dag af en voortaan. Daarna stond Samuel op, en hij ging naar Rama.
14Zvino Mweya waJehovha wakange wabva kuna Sauro, mweya wetsvina wakange watumwa naJehovha, ukamuvhundusa.
14En de Geest des HEEREN week van Saul; en een boze geest van den HEERE verschrikte hem.
15Varanda vaSauro vakati kwaari, Tarirai zvino, mweya wakaipa, wakatumwa naMwari, unokuvhundusai.
15Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een boze geest Gods verschrikt u.
16Zvino tenzi wedu ngaatiraire isu varanda venyu vari pamberi penyu, kuti titsvake munhu unoziva kuridza mbira kwazvo; zvino kana mweya wakaipa, unotumwa naMwari, uchiuya pamusoro penyu, iye aridze noruoko rwake, mupore.
16Onze heer zegge toch tot uw knechten, die voor uw aangezicht staan, dat zij een man zoeken, die op de harp spelen kan; en het zal geschieden, als de boze geest Gods op u is, dat hij met zijn hand spele, dat het beter met u worde.
17Sauro akati kuvaranda vake, Chinditsvakirai munhu unogona kuridza zvakanaka, muuye naye kwandiri.
17Toen zeide Saul tot zijn knechten: Ziet mij toch naar een man uit, die wel spelen kan, en brengt hem tot mij.
18Zvino mumwe wamajaya akapindura, akati, Tarirai, ndakaona mwanakomana waJese muBheterehemu unoziva kuridza kwazvo, munhu ane simba noumhare, murwi, wakachenjera pakutaura, munhu wakanaka, uye Jehovha anaye.
18Toen antwoordde een van de jongelingen, en zeide: Zie, ik heb gezien een zoon van Isai, den Bethlehemiet, die spelen kan, en hij is een dapper held, en een krijgsman, en verstandig in zaken, en een schoon man, en de HEERE is met hem.
19Naizvozvo Sauro akatuma nhume kuna Jese, akati, Nditumire mwanakomana wako Dhavhidhi, ari kumakwai.
19Saul nu zond boden tot Isai, en zeide: Zend uw zoon David tot mij, die bij de schapen is.
20Jese akatora mbongoro, akaitakudza chingwa, nedende rewaini, nembudzana, akazvituma kuna Sauro nomwanakomana wake Dhavhidhi.
20Toen nam Isai een ezel met brood, en een lederen zak met wijn, en een geitenbokje; en hij zond ze door de hand van zijn zoon David aan Saul.
21Dhavhidhi akasvika kuna Sauro, akamira pamberi pake, iye akamuda kwazvo, akava mubati wenhumbi dzake dzokurwa.
21Alzo kwam David tot Saul, en hij stond voor zijn aangezicht; en hij beminde hem zeer, en hij werd zijn wapendrager.
22Sauro akatuma shoko kuna Jese, akati, Tendera hako Dhavhidhi amire pamberi pangu, nekuti ndinomufarira kwazvo.
22Daarna zond Saul tot Isai, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heeft genade in mijn ogen gevonden.
23Zvino nguva dzose kana mweya wakaipa, wakatumwa naMwari, uchiuya pamusoro paSauro, Dhavhidhi ndokutora mbira, nokuridza noruoko rwake; Sauro akanyaradzwa, akapora, mweya wakaipa ndokubva kwaari.
23En het geschiedde, als de geest Gods over Saul was, zo nam David de harp, en hij speelde met zijn hand; dat was voor Saul een verademing, en het werd beter met hem, en de boze geest week van hem.