1Zvino kana uchiteerera zvakanaka inzwi raJehovha Mwari wako, nokuchenjera kuita mirairo yake yose, yandinokuraira nhasi, Jehovha Mwari wako uchakukurisa kupfuura ndudzi dzose dziri panyika.
1En het zal geschieden, indien gij der stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, zo zal de HEERE, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde.
2Kuropafadzwa uku kose kuchaitika kwauri, uchatevererwa nako, kana uchiteerera inzwi raJehovha Mwari wako.
2En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer gij der stem des HEEREN uws Gods, zult gehoorzaam zijn.
3Ucharopafadzwa muguta, ucharopafadzwa mumunda.
3Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld.
4Zvibereko zvomuviri wako, nezvibereko zvevhu rako, nezvibereko zvemombe dzako, nezvibereko zvemhou dzako, namakwayana amakwai ako, zvicharopafadzwa.
4Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht uwer beesten, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee.
5Dengu rako, nomudziyo wako wokukanyira chingwa, zvicharopafadzwa.
5Gezegend zal zijn uw korf, en uw baktrog.
6Ucharopafadzwa kana uchipinda, ucharopafadzwa kana uchibuda.
6Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.
7Jehovha uchakukundisa vavengi vako, vanokumukira, pamberi pako; vachauya kuzorwa newe nenzira imwe, vachatiza pamberi pako nenzira nomwe.
7De HEERE zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door een weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden.
8Jehovha ucharaira kuti uropafadzwe pamatura ako, napazvose zvaunobata namaoko ako; uchakuropafadza panyika yaunopiwa naJehovha Mwari wako.
8De HEERE zal den zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
9Jehovha uchakusimbisa, kuti uve rudzi rwake rutsvene, sezvaakakupikira; kana uchichengeta mirairo yaJehovha Mwari wako, nokufamba munzira dzake.
9De HEERE zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden des HEEREN, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen.
10Vanhu vose venyika vachaona kuti iwe wakatumidzwa nezita raJehovha; vachakutya.
10En alle volken der aarde zullen zien, dat de Naam des HEEREN over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen.
11Jehovha uchakuwanzira mufaro pazvibereko zvomuviri wako, napazvibereko zvemombe dzako, napazvibereko zvevhu rako, panyika yakapikirwa madzibaba ako naJehovha, kuti uchakupa iyo.
11En de HEERE zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands; op het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft u te zullen geven.
12Jehovha uchakuzarurira fuma yake yakanaka yokudenga, akupe mvura yenyika yako nenguva yayo; nokuropafadza mabasa ose amaoko ako; iwe uchapa ndudzi zhinji chikwereti.
12De HEERE zal u opendoen Zijn goeden schat, den hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen.
13Jehovha uchakuita musoro, haangakuiti muswe; uchava kumusoro chete, haungavi pasi; kana uchiteerera mirairo yaJehovha Mwari wako, yandinokuraira nhasi, uchishingaira kuiita;
13En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen;
14usingatsauki pane rimwe ramashoko andinokuraira, kurudyi kana kuruboshwe, uchitevera vamwe vamwari kuti uvashumire.
14En gij niet afwijken zult van al de woorden, die ik ulieden heden gebiede, ter rechterhand of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen.
15Asi kana uchiramba kuteerera inzwi raJehovha Mwari wako kuti uchenjere kuita mirairo yake yose, nezvaakatema, zvandinokuraira nhasi; kutukwa uku kose kuchaitika kwauri, uchatevererwa nako.
15Daarentegen zal het geschieden, indien gij de stem des HEEREN, uws Gods, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat gij doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen.
16Uchatukwa muguta, uchatukwa mumunda.
16Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in het veld.
17Dengu rako richatukwa, nomudziyo wako wokukanyira chingwa.
17Vervloekt zal zijn uw korf, en uw baktrog.
18Zvibereko zvomuviri wako zvichatukwa, nezvibereko zvevhu rako, nezvibereko zvemhou dzako, namakwayana amakwai ako.
18Vervloekt zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee.
19Uchatukwa kana uchipinda, uchatukwa kana uchibuda.
19Vervloekt zult gij zijn in uw ingaan, en vervloekt zult gij zijn in uw uitgaan.
20Jehovha uchatuma pamusoro pako kutukwa, nokunyonganiswa, nokurangwa, pazvose zvaunobata namaoko ako, kusvikira waparadzwa, uye kusvikira wakurumidza kupera, nokuda kwezvakaipa zvaunoita, zvawakandisiya nazvo.
20De HEERE zal onder u zenden den vloek, de verstoring en het verderf, in alles, waaraan gij uw hand slaat, dat gij doen zult; totdat gij verdelgd wordt, en totdat gij haastelijk omkomt, vanwege de boosheid uwer werken, waarmede gij Mij verlaten hebt.
21Jehovha uchakunamatidza denda, kusvikira akupedza kunyika kwaunoenda, kuti ive yako.
21De HEERE zal u de pestilentie doen aankleven, totdat Hij u verdoe van het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.
22Jehovha uchakurova norukosoro, nefivhiri, nokupisa komuviri, nokuvaviswa kwazvo, uye nokushaiwa mvura, nenyunje, nokuvhuva; izvo zvichakuteverera kusvikira waparadzwa.
22De HEERE zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat gij omkomt.
23Denga rako riri pamusoro pako richaita sendarira, nenyika iri pasi pako sedare.
23En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn.
24Jehovha uchashandura mvura yenyika yako ive bukuta neguruva; zvichaburukira pamusoro pako zvichibva kudenga, kusvikira waparadzwa.
24De HEERE, uw God, zal pulver en stof tot regen uws lands geven; van den hemel zal het op u nederdalen, totdat gij verdelgd wordt.
25Jehovha uchatendera kuti ukundwe navavengi vako; uchabuda kundorwa navo nenzira imwe, uchatiza pamberi pavo nenzira nomwe; uchava chinhu chinotyisa pakati poushe hwose bwenyika.
25De HEERE zal u geslagen geven voor het aangezicht uwer vijanden; door een weg zult gij tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult gij voor zijn aangezicht vlieden; en gij zult van alle koninkrijken der aarde beroerd worden.
26Zvitunha zvako zvichava zvokudya zveshiri dzose dzokudenga nezvikara zvenyika, kusina munhu unozvidzinga.
26En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte des hemels, en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken.
27Jehovha uchakurova namamota namaronda, nemhizi, nokufunuka, zvicharamba kupora.
27De HEERE zal u slaan met zweren van Egypte, en met spenen, en met droge schurft, en met krauwsel, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden.
28Jehovha uchakurova nokupenga, noupofu, uye nokukanganiswa komoyo;
28De HEERE zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid des harten;
29uchatsvangadzira masikati, sebofu rinotsvangadzira murima, haungafari panzira dzako; ucharemedzwa nokubirwa nguva dzose, hakungavi nomunhu unokurwira.
29Dat gij op den middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar gij zult alleenlijk verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn.
30Uchanyenga mukadzi, asi mumwe murume uchavata naye; uchavaka dzimba, asi haungagarimo; ucharima munda wemizambiringa, asi haungadyi michero yayo.
30Gij zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult gij bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult gij planten, maar dien niet gemeen maken.
31Mombe yako ichabayiwa uchizviona, asi haungaidyi; mbongoro yako ichatorwa nesimba uchizviona, asi haingadzoserwi kwauri; makwai ako achapiwa vavengi vako, haungawani unokurwira.
31Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet wederkeren; uw klein vee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn.
32Vanakomana vako navanasikana vako vachapiwa rumwe rudzi; meso ako achatarira, ukaneta kuvashuva zuva rose; asi uchashaiwa simba paruoko rwako.
32Uw zonen en uw dochteren zullen aan een ander volk gegeven worden, dat het uw ogen aanzien, en naar hen bezwijken den gansen dag; maar het zal in het vermogen uwer hand niet zijn.
33Zvibereko zvevhu rako, nezvamabasa ako, zvichadyiwa norudzi rwausingazivi; uchangoremedzwa nokutambudzwa nguva dzose.
33De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat gij niet gekend hebt; en gij zult alle dagen alleenlijk verdrukt en gepletterd zijn.
34Uchapengeswa nezvauchaona nameso ako.
34En gij zult onzinnig zijn, vanwege het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.
35Jehovha uchakurova pamabvi ako, napamakumbo ako, namamota anorwadza, acharamba kupora, kubva parutsoka kusvikira pamusoro pomusoro wako.
35De HEERE zal u slaan met boze zweren, aan de knieen en aan de benen, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden, van uw voetzool af tot aan uw schedel.
36Jehovha uchakuisa iwe namambo wako wauchazvitsaurira kurudzi rwawakanga usingazivi iwe namadzibaba ako; zvino uchandoshumirapo vamwe vamwari vamatanda namabwe.
36De HEERE zal u, mitsgaders uw koning, dien gij over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat gij niet gekend hebt, noch uw vaderen; en aldaar zult gij dienen andere goden, hout en steen.
37Iwe uchaitwa chishamiso, neshumo, nechiseko, pakati pavanhu vose kwauchandoiswa naJehovha.
37En gij zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u de HEERE leiden zal.
38Uchatakurira mbeu zhinji kumunda, asi uchaunganidza zvishoma; nekuti zvichapedzwa nemhashu.
38Gij zult veel zaads op den akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren.
39Ucharima minda yemizambiringa nokuigadzira, asi haungamwi waini yayo, kana kutanha mazambiringa; nekuti achadyiwa namakonye.
39Wijngaarden zult gij planten, en bouwen, maar gij zult geen wijn drinken, noch iets vergaderen; want de worm zal het afeten.
40Uchava nemiti yemiorivhi panyika yako yose, asi haungazori mafuta ayo, nekuti miorivhi yako ichazuka.
40Olijfbomen zult gij hebben in al uw landpalen, maar gij zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen.
41Uchabereka vanakomana navanasikana, asi havangavi vako, nekuti vachatapwa.
41Zonen en dochteren zult gij gewinnen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan.
42Miti yako yose nezvibereko zvevhu rako zvichadyiwa nemhashu.
42Al uw geboomte, en de vrucht uws lands zal het boos gewormte erfelijk bezitten.
43Mutorwa ugere pakati pako ucharamba achikwirira kupfuura iwe; iwe ucharamba uchiderera.
43De vreemdeling, die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en gij zult laag, laag nederdalen.
44lye uchakupa chikwereti, asi iwe haungamupi chikwereti; iye uchava musoro, iwe uchava muswe.
44Hij zal u lenen, maar gij zult hem niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en gij zult tot een staart zijn.
45Kutukwa uku kose kuchaitika kwauri, nokukutevera, nokukubata, kusvikira waparadzwa; nekuti hauna kuteerera inzwi raJehovha Mwari wako, nokuchengeta mirairo yake nezvaakatema, zvaakakuraira.
45En al deze vloeken zullen over u komen, en u vervolgen, en u treffen, totdat gij verdelgd wordt; omdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam zult geweest zijn, om te houden Zijn geboden en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.
46Zvichava pamusoro pako napamusoro pavana vako, zvive zviratidzo nezvishamiso nokusingaperi;
46En zij zullen onder u tot een teken, en tot een wonder zijn, ja, onder uw zaad tot in eeuwigheid.
47nekuti hauna kushumira Jehovha Mwari wako nomufaro, nomoyo unofara, nokuda kokuwanda kwezvose.
47Omdat gij den HEERE, uw God, niet gediend zult hebben met vrolijkheid en goedheid des harten, vanwege de veelheid van alles;
48Naizvozvo uchafanira kubatira vavengi vako, vauchatumirwa naJehovha kuti urwe navo , uchinzwa nzara nenyota, uchishaiwa zvokufuka nezvose izvi; iye uchaisa joko redare pamutsipa wako, kusvikira akuparadza.
48Zo zult gij uw vijanden, die de HEERE onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelge.
49Jehovha achauyisa rudzi runobva kure kuzorwa newe, runobva kumagumisiro enyika, segondo rinobhururuka, rudzi rwausinganzwisisi rurimi rwarwo;
49De HEERE zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt; een volk, welks spraak gij niet zult verstaan;
50rudzi rune hasha, rusingarangariri vatana, kana kunzwira majaya tsitsi.
50Een volk, stijf van aangezicht, dat het aangezicht des ouden niet zal aannemen, noch den jonge genadig zijn.
51Vachadya zvibereko zvemombe dzako, nezvibereko zvevhu rako, kusvikira waparadzwa; havangakusiiri zviyo, kana waini, kana mafuta, kana zvakaberekwa nemhou dzako, kana makwayana amakwai ako, kusvikira waparadzwa navo.
51En het zal de vrucht uwer beesten, en de vrucht uws lands opeten, totdat gij verdelgd zult zijn; hetwelk u geen koren, most noch olie, voortzetting uwer koeien noch kudden van uw klein vee zal overig laten, totdat Hij u verdoe.
52Vachakukomba pamasuwo ako ose, kusvikira masvingo ako marefu ane simba awa ose, awakatenda munyika yako yose; vachakukomba pamasuwo ako ose panyika yako yose, yawakapiwa naJehovha Mwari wako.
52En het zal u beangstigen in al uw poorten, totdat uw hoge en vaste muren nedervallen, op welke gij vertrouwdet in uw ganse land; ja, het zal u beangstigen in al uw poorten, in uw ganse land, dat u de HEERE, uw God, gegeven heeft.
53Uchadya zvibereko zvomuviri wako, nyama yavanakomana vako navanasikana vako, vawakapiwa naJehovha Mwari wako, kana wokombwa nokumanikidzwa navavengi vako.
53En gij zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uwer zonen en uwer dochteren, die u de HEERE, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijanden u zullen benauwen
54Murume unoundere nounounengwe kwazvo pakati pako uchava nomufungo wakaipa kuhama yake, nokumukadzi wake waanoda, nokuvana vake vaanenge asarirwa navo;
54Aangaande den man, die teder onder u, en die zeer wellustig geweest is, zijn oog zal kwaad zijn tegen zijn broeder en tegen de huisvrouw zijns schoots, en tegen zijn overige zonen, die hij overgehouden zal hebben;
55haangapi mumwe wavo nyama yavana vake vaachadya, nekuti iye haangavi nechaakasarirwa nacho, kana wokombwa nokumanikidzwa navavengi vako pamasuwo ako ose.
55Dat hij niet aan een van die zal geven van het vlees zijner zonen, die hij eten zal, omdat hij voor zich niets heeft overgehouden; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijand u in al uw poorten zal benauwen.
56Mukadzi unoundere nounounengwe pakati pako, wakange asingadi kutsika pasi norutsoka rwake nokuda kounengwe hwake noundere hwake, uchava nomufungo wakaipa kumurume wake waanoda, nemwanakomana wake, nomwanasikana wake;
56Aangaande de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen den man haars schoots, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter;
57nokumwana wake muduku, waachangobereka, nokuvana vake vaachazobereka; nekuti uchadya pakavanda nokuda kokushaiwa zvinhu zvose, kana wokombwa nokumanikidzwa navavengi vako pamasuwo ako.
57En dat om haar nageboorte, die van tussen haar voeten uitgegaan zal zijn, en om haar zonen, die zij gebaard zal hebben; want zij zal hen eten in het verborgene, vermits gebrek van alles; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijand u zal benauwen in uw poorten.
58Kana usingachenjeri kuita mashoko ose omurayiro uyu, akanyorwa mubhuku iyi, kuti utye zita iri rinobwinya nerinotyisa, rinoti: JEHOVHA MWARI WAKO;
58Indien gij niet zult waarnemen te doen al de woorden dezer wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen dezen heerlijken en vreselijken Naam den HEERE uw God;
59Jehovha uchakurova iwe navana vako namatambudziko anoshamisa, matambudziko makuru, asingakurumidzi kupera, namatenda akaipa, asingakurumidzi kupera.
59Zo zal de HEERE uw plagen wonderlijk maken, mitsgaders de plagen van uw zaad; het zullen grote en gewisse plagen, en boze en gewisse krankten zijn.
60Uchauyisazve pamusoro pako hosha dzose dzeEgipita, dzawakanga uchitya, kuti dzikunamatire.
60En Hij zal op u doen keren alle kwalen van Egypte, voor dewelke gij gevreesd hebt, en zij zullen u aanhangen.
61Namatenda ose, namatambudziko ose, asina kunyorwa mubhuku yomurayiro uyu, ndiwo achauyiswa naJehovha pamusoro pako, kusvikira waparadzwa.
61Ook alle krankte, en alle plage, die in het boek dezer wet niet geschreven is, zal de HEERE over u doen komen, totdat gij verdelgd wordt.
62Muchasara mava vashoma, kunyange makanga muri vazhinji senyeredzi dzokudenga; nekuti hauna kuteerera inzwi raJehovha Mwari wako.
62En gij zult met weinige mensen overgelaten worden, in plaats dat gij geweest zijt als de sterren des hemels in menigte; omdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam geweest zijt.
63Zvino Jehovha sezvaakanga achikufarirai achida kukuitirai zvakanaka, nokukuwanzai, saizvozvo Jehovha uchafara pamusoro penyu kukupedzai nokukuparadzai; muchadzurwa kunyika kwaunoenda, kuti ive yako.
63En het zal geschieden, gelijk als de HEERE Zich over ulieden verblijdde, u goed doende en u vermenigvuldigende, alzo zal Zich de HEERE over u verblijden, u verdoende en u verdelgende; en gij zult uitgerukt worden uit het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.
64Jehovha uchakurashanya pakati pendudzi dzose, kubva pamugumo mumwe wenyika kusvikira kuno mumwe mugumo; ipapo uchandoshumira vamwe vamwari vawakanga usingazivi, iwe namadzibaba ako, vamwari vamatanda navamabwe.
64En de HEERE zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uw vaders, hout en steen.
65Pakati pendudzi idzo haungawani zororo, netsoka dzako hadzingawani pokuzorora; asi Jehovha uchakupa ipapo moyo unowonda;
65Daartoe zult gij onder dezelve volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want de HEERE zal u aldaar een bevend hart geven, en bezwijking der ogen, en mattigheid der ziel.
66upenyu hwako hucharembera pamberi pako, uchatya usiku namasikati, haungazivi kana uchararama;
66En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht en dag schrikken, en gij zult van uw leven niet zeker zijn.
67mangwanani uchati, Dai aiva madekwana! Madekwana uchati, Dai aiva mangwanani! Nokutya komoyo wako, zvauchaona nameso ako.
67Des morgens zult gij zeggen: Och, dat het avond ware; en des avonds zult gij zeggen: Och, dat het morgen ware; vermits den schrik uws harten, waarmede gij zult verschrikt zijn, en vermits het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.
68Jehovha uchakuisazve Egipita nezvikepe nenzira yandakati kwauri, Hauchazoionizve; ipapo muchandozvitengesa kuvavengi venyu, kuti muve varanda navarandakadzi, asi hakungavi nomunhu uchakutengai.
68En de HEERE zal u naar Egypte doen wederkeren in schepen, door een weg, waarvan ik u gezegd heb: Gij zult dien niet meer zien; en aldaar zult gij u aan uw vijanden willen verkopen tot dienstknechten en tot dienstmaagden; maar er zal geen koper zijn.