1Negore rechipiri ramambo Dhariusi, nomwedzi wechitanhatu, pazuva rokutanga romwedzi, shoko raJehovha rakasvika nomuporofita Hagai kuna Zerubhabheri mwanakomana waShearitieri, mubati waJudha, nokuna Joshua mwanakomana waJehozadhaki, mupristi mukuru, richiti,
1Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
2Jehovha wehondo unotaura, achiti, Vanhu ava vanoti nguva ichigere kusvika, iyo nguva yokuvakwa kweimba yaJehovha.
2Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
3Ipapo shoko raJehovha rakasvika nomuporofita Hagai, richiti,
3Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
4Ko zvino inguva yamungagara imwi mudzimba dzenyu dzakashongedzwa namatanda, imba ino riri dongo here?
4Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
5Zvino zvanzi naJehovha wehondo, Cherekedzai zvamakaita.
5Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
6Makakusha zvizhinji, asi makacheka zvishoma; munodya, asi hamuguti; munomwa, asi hamugungwi; munofuka, asi hakuna unodziyirwa; unobatira mubayiro unobatira kuti azvichengete muhombodo yakabvooka.
6Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
7Zvanzi naJehovha wehondo, Cherekedzai zvamakaita.
7Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
8Kwirai mugomo, muuye namatanda, muvake imba iyi; ini ndichaifarira, uye ini ndichakudzwa ndizvo zvinotaura Jehovha.
8Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
9Makafunga kuwana zvizhinji, tarirai, zvakangoita zvishoma; makati mazviisa kumusha, ini ndikafuridzira pamusoro pazvo. Nemhaka yeiko? Ndizvo zvinotaura Jehovha wehondo. Nemhaka yeimba yangu riri dongo, mumwe nomumwe wenyu achimhanyira kumba kwake.
9Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
10Saka denga rakaramba nedova nemhaka yenyu, nenyika inoramba nezvibereko zvayo.
10Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
11Ndakadana kuwoma kuuye panyika, napamakomo, napazviyo, napawaini itsva, napamafuta, napane zvinoberekwa nevhu, napavanhu, napazvipfuwo, napamabasa ose amaoko avanhu.
11Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
12Ipapo Zerubhabheri mwanakomana waShearitieri, naJoshua mwanakomana waJehozadhaki, mupristi mukuru, navanhu vose vakanga vasara, vakateerera inzwi raJehovha Mwari wavo, namashoko omuporofita Hagai, sezvaakanga atumwa naJehovha Mwari wavo; vanhu vakatya pamberi paJehovha.
12Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
13Ipapo Hagai, nhume yaJehovha, wakataura navanhu sezvaakarairwa neshoko rakatumwa naJehovha, akati, ndinemwi ndizvo zvinotaura Jehovha.
13Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
14Jehovha akamutsa mweya waZerubhabheri mwanakomana waShearitieri, mubati waJudha, nomweya waJoshua mwanakomana waJehozadhaki, mupristi mukuru, nomweya wavanhu vose vakanga vasara, vakauya vakabata paimba yaJehovha wehondo, Mwari wavo,
14Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
15nezuva ramakumi maviri namana romwedzi wechitanhatu, negore rechipiri ramambo Dhariusi.
15Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.