1Nyararai pamberi pangu, imwi zviwi; vanhu ngavawane simba idzva, ngavaswedere, ipapo ngavataure; ngatiswedere pamwechete kutongerwa mhaka.
1Zwijgt voor Mij, gij eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.
2Ndianiko wakamutsa mumwe kumabvazuva, anokunda pose-pose paa notsika? Ndianiko anomupa marudzi avanhu, achimubatisa madzimambo paushe hwake? Anovaisa pamunondo wake seguruva, napauta hwake sehundi inodzingwa nemhepo.
2Wie heeft van den opgang dien rechtvaardige verwekt? heeft hem geroepen op zijn voet? de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en gemaakt, dat hij over koningen heerste? heeft ze zijn zwaard gegeven als stof, zijn boog als een voortgedreven stoppel?
3Anodzingana navo, ndokupfuura hake zvakanaka nenzira yaasina kumbotsika netsoka dzake.
3Dat hij ze najaagde en doortrok met vrede, door een pad, hetwelk hij met zijn voeten niet gegaan had?
4Ndianiko akabata basa iro nokuzviita? Ndiye anodana marudzi kubvira pakutanga; ini Jehovha, wokutanga, nowokupedzisira.
4Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van den beginne? Ik, de HEERE, Die de Eerste ben, en met den Laatste ben Ik Dezelfde.
5Zviwi zvakaona, zvikatya; migumo yenyika inodedera, inoswedera, youya.
5De eilanden zagen het, en zij vreesden; de einden der aarde beefden; zij naderden en kwamen toe;
6Mumwe nomumwe anobatsira wokwake; anoti kuhama yake, Tsunga hako moyo.
6De een hielp den ander, en zeide tot zijn metgezel: Wees sterk!
7Saizvozvo muvezi anosimbisa mupfuri wendarama, nowanopfura nenyundo anosimbisa anorova panhera, achiti, Pamusoro pokunamatidza. Zvakanaka; ndokuzvirovera nembambo kuti zvirege kuzununguka.
7En de werkmeester versterkte den goudsmid; die met den hamer glad maakt, dien, die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.
8Asi iwe Isiraeri, muranda wangu, Jakove, wandakasanangura, vana vaAbhurahamu shamwari yangu,
8Maar gij, Israel, Mijn knecht! gij Jakob, dien Ik verkoren heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber!
9iwe wandakatora kumigomo yenyika, ndikakudana kumakona ayo, ndikati kwauri, Uri muranda wangu, ndakakusanangura, handina kukurasha.
9Gij, welken Ik gegrepen heb van de einden der aarde, en uit haar bijzonderste geroepen heb; en zeide tot u: Gij zijt Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen.
10Usatya, nekuti ndinewe; usavhunduka, nekuti ndiri Mwari wako; ndichakusimbisa, zvirokwazvo, ndichakubatsira; zvirokwazvo, ndichakutsigira noruoko rwangu rworudyi rune simba.
10Vrees niet, want Ik ben met u; zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheid.
11Tarira, vose vanokutsamwira, vachanyadziswa vave nenyadzi; vanokakavara newe vachava sechinhu chisipo, vachaparara.
11Ziet, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die lieden, die met u twisten, zullen vergaan.
12Uchavatsvaka, asi haungavawani, ivo vanokakavara newe; vanorwa newe vachava sechinhu chisipo, sechinhu chisina maturo.
12Gij zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de lieden, die met u kijven, zullen worden als niet, en die lieden, die met u oorlogen, als een nietig ding.
13nekuti ini Jehovha, Mwari wako, ndichabata ruoko rwako rworudyi, ndichiti kwauri, Usatya, ini ndichakubatsira.
13Want Ik, de HEERE, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.
14Usatya, Jakove iwe honye, nemwi varume vaIsiraeri; ini ndichakubatsira, ndizvo zvinotaura Jehovha, mudzikunuri wako ndiye Mutsvene waIsiraeri.
14Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israels! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige Israels!
15Tarira, ndakakuita mupuro mutsva, unopinza, unameno; uchapura makomo, nokuaputsa-putsa, uchaita zvikomo zvive sehundi.
15Ziet, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; gij zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult gij stellen gelijk kaf.
16Uchaaurutsa, achatorwa nemhepo, chamupupuri chichaaparadzira kose; iwe uchafarira Jehovha, nokuzvirumbidza noMutsvene waIsiraeri.
16Gij zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar gij zult u verheugen in den HEERE; in den Heilige Israels zult gij u roemen.
17Varombo navanoshayiwa vanotsvaka mvura, asi haipo, marimi avo anooma nenyota; ini, Jehovha ndichavapindura, ini Mwari walsiraeri, handingavarasi.
17De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen, hun tong versmacht van dorst; Ik, de HEERE zal hen verhoren, Ik, de God Israels, zal hen niet verlaten.
18Ndichazarura nzizi pamakomo asine miti, namatsime pakati pemipata; renje ndichariita dziva remvura, nenyika yakaoma zvitubu zvemvura.
18Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden der valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten.
19Ndichasima parenje miti yemisidhari, nemiakasia, nemimirite, nemiorivhi; ndichaisa musango misiperesi, nemipani,nemifiri iyo yose;
19Ik zal in de woestijn den cederboom, den sittimboom, en den mirteboom, en den olieachtigen boom zetten; Ik zal in de wildernis stellen den denneboom, den beuk, en den busboom te gelijk;
20kuti vanhu vaone, nokuziva, nokurangarira, nokunzwisisa, kuti ruoko rwaJehovha ndirwo rwakaita izvozvo, uye kuti Mutsvene waIsiraeri ndiye wakazvisika.
20Opdat zij zien, en bekennen, en overleggen, en te gelijk verstaan, dat de hand des HEEREN zulks gedaan, en dat de Heilige Israels zulks geschapen heeft.
21Zvanzi naJehovha, Revai mhaka yenyu; zvanzi namambo waJakove, Uyai namashoko enyu akasimba.
21Brengt ulieder twistzaak voor, zegt de HEERE; brengt uw vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning van Jakob.
22Ngavauye nawo, vatiudze zvichaitwa, tiudzei zvinhu zvakare, kuti ndezvei, kuti tizvirangarire, tizive kuguma kwazvo; kana mutizivise zvichazovapo.
22Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen.
23Tiudzei zvinhu zvichazovapo pashure, tizive kuti muri vamwari; zvirokwazvo, itai zvakanaka, kana itai zvakaipa, kuti tishamiswe, tizvione tose pamwechete.
23Verkondigt dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat gij goden zijt; ja, doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en te zamen toezien.
24Tarirai imwi hamuzi chinhu, nebasa renyu harizi chinhu; anokusanangurai anonyangadza.
24Ziet, gijlieden zijt minder dan niet, en ulieder werk is erger dan een adder; hij is een gruwel, die ulieden verkiest.
25Ndamutsa mumwe anobva kurutivi rwokumusoro, zvino wasvika; mumwe anobva kumabudazuva, anodana zita rangu; iye achatsika vabati samatope, somuumbi anokanya ivhu.
25Ik verwek een van het noorden, en hij zal opkomen van den opgang der zon; hij zal Mijn Naam aanroepen; en hij zal komen over de overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker het slijk treedt.
26Ndianiko wakatiudza izvozvo kubvira pakutanga, kuti tizive? Napanguva yakare, kuti titi, Zvirokwazvo? Zvirokwazvo, hakuna anotiudza, zvirokwazvo, hakuna anotiratidza, zvirokwazvo, hakuna anonzwa mashoko enyu.
26Wie heeft wat verkondigd van den beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die ulieder woorden hoort.
27Ndini ndichatanga kuti kuZiyoni, Tarirai, tarirai, havo; ndichatumira Jerusaremu nhume inouya namashoko akanaka.
27Ik, de Eerste zeg tot Sion: Zie, zie ze daar! en tot Jeruzalem; Ik zal een blijden boodschapper geven.
28Kana ndichitarira, hakuna munhu; pakati pavo hakuna anogona kurayirira, angapindura shoko, kana ndichivabvunza.
28Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.
29Tarirai, ava vose havana maturo, mabasa avo haana maturo, haazi chinhu; mifananidzo yavo yakaumbwa imhepo nezvisina maturo.
29Ziet, zij zijn altemaal ijdelheid, hun werken zijn een nietig ding, hun gegoten beelden zijn wind, en een ijdel ding.