Shona

Dutch Staten Vertaling

Isaiah

56

1Ndizvo zvinotaura Jehovha, Chengetai mutongo, muite zvakarurama; nekuti ruponeso rwangu rwava pedo kusvika, uye kururama kwangu koratidzwa.
1Alzo zegt de HEERE: Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.
2Akaropafadzwa munhu anoita izvi, noMwanakomana womunhu anozvibatisisa; anochengeta sabata arege kurisvibisa , nokudzora ruoko rwake kuti arege kuita chinhu chipi nechipi chakaipa.
2Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en des mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zodat gij dien niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen.
3Usaregawo mwanakomana womutorwa akanamatira Jehovha, achitaura achiti, Zvirokwazvo Jehovha akandiparadzanisa navanhu vake; nowakachekwa ngaarege kuti, Tarirai, ndiri muti wakaoma.
3En de vreemde, die zich tot den HEERE gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De HEERE heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom.
4nekuti zvanzi naJehovha pamusoro pavakachekwa, Vanochengeta masabata angu, nokusanangura zvinondifadza, navanobatisisa sungano yangu.
4Want alzo zegt de HEERE van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond;
5Ndichavapavo mumba mangu nomukati mamasvingo angu chiyeudzo nezita rinopfuura ravanakomana navanasikana; ndichavapa zita risingaperi, risingazogurwi.
5Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.
6Navanakomana vomutorwawo vanozvisanganisa naJehovha, kuti vamushumire, nokuda zita raJehovha, kuti vave varanda vake, vose vanochengeta sabata kuti arege kurisvibisa, nokubatisisa sungano yangu;
6En de vreemden, die zich tot den HEERE voegen, om Hem te dienen, en om den Naam des HEEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden;
7naivavo ndichavauyisa kugomo rangu dzvene, nokuvafadza muimba yangu yokunyengetera; zvipiriso zvavo zvinopiswa nezvibayiro zvavo zvichagamuchirwa paaritari yangu; nekuti imba yangu ichanzi imba yokunyengetera yavanhu vose.
7Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.
8Ishe Jehovha, anounganidza vakadzingwa vaIsiraeri,anoti,Ipapo ndichaunganidzazve vamwe kwaari, pamusoro pavake vakaunganidzwa.
8De Heere HEERE, Die de verdrevenen van Israel vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer vergaderen, nevens hen, die tot hem vergaderd zijn.
9imwi mose zvikara zvokusango, uyai mudye, imwi mose zvikara zvokudondo.
9Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!
10Nharirire dzake mapofu, vose havane zivo; vose imbwa mbeveve, havagoni kuhukura, dzinovata, dzinotsivama pasi, dzinofarira kutsumaira.
10Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief.
11Zvirokwazvo, imbwa dzinokara, dzisingatongoguti; ava vafudzi, vasingagoni kunzwisisa, mumwe nomumwe wakatsaukira kunzira yake, mumwe nomumwe kufuma yake, vose-vose.
11En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elkeen naar zijn gewin, elk uit zijn einde.
12Vanoti, Uyai, ndichauya newaini, tichaguta nezvinobata, mangwana achaita sezuva ranhasi,zuva guru-guru kwazvo.
12Komt herwaarts, zeggen zij: ik zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze, ja, groter, veel treffelijker.