1Zvinonzi, Kana murume akaramba mukadzi wake, iye akabva kwaari, akandowanikwa nomumwe murume, ko murume ungadzokera kwaarizve here? Ko nyika yakadai haingasvibiswi kwazvo here? Asi iwe wakafeva navadikamwa vako vazhinji; zvino woda kudzokera kwandiri ndizvo zvinotaura Jehovha.
1Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE.
2Ringira meso ako kuzvikomo zvisina miti, uone; pavasina kupombora newe ndapapi? Wakavagarira panzira somuArabhia parenje; wasvibisa nyika nokufeva kwako nezvakaipa zvako.
2Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar zijt gij niet beslapen? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; alzo hebt gij het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid.
3Naizvozvo wakanyimwa mvura inopfunha, nemvura yokupedzisira yakanga isipo; kunyange zvakadaro wakange une huma yechifeve, ukaramba kunyadziswa.
3Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen geweest. Maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij weigert schaamrood te worden.
4Ko haungatangi zvino uchidana kwandiri here, uchiti, baba vangu, ndimi muperekedzi wohuduku hwangu?
4Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd!
5Ko uchagara akatsamwa nokusingaperi here? Uchagara nako kusvikira pakupedzisira here? Tarira, wakataura izvozvo ukaita zvinhu zvakaipa, ukazvipedzisa.
5Zal Hij in eeuwigheid den toorn behouden? Zal Hij dien gestadig bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.
6Zvino Jehovha wakatizve kwandiri, namazuva amambo Josiya, Waona here zvakaitwa naIsiraeri pakudzokera kwavo shure? Vakakwira pagomo rimwe nerimwe rakakwirira nokupinda pasi pomuti mumwe nomumwe mutema, ndokundofevapo.
6Voorts zeide de HEERE tot mij, in de dagen van den koning Josia: Hebt gij gezien, wat de afgekeerde Israel gedaan heeft? Zij ging henen op allen hogen berg, en tot onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar.
7Zvino vakati vapedza kuita izvozvo zvose, ini ndakati, vachadzokera kwandiri, asi havana kudzokera; kwandiri nomunin'ina wavo, Judha, wokusatendeka, vakazviona.
7En Ik zeide, nadat zij zulks alles gedaan had: Bekeer u tot Mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouweloze, haar zuster Juda.
8Zvino ndakaona kuti panguva yandakaramba VaIsiraeri, vokudzokera shure, ndikavapa rugwaro rwokuvaramba nemhaka yokufeva kwavo, kunyange zvakadaro munin'ina wavo, ivo vaJudha, vokusatendeka, havana kutya; asi naivo vakandofevawo.
8En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israel overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen, en hoereerde zelve ook.
9Zvino nokusarangarira kwavo nyika yakasvibiswa nokufeva kwavo, vakafeva namabwe namatanda.
9Ja, het geschiedde, vanwege het gerucht harer hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout.
10Kunyange zvinhu izvi zvakadaro zvose, munin'ina wavo, Judha, havana kudzokera kwandiri nomoyo wavo wose, asi nokunyengera ndizvo zvinotaura Jehovha.
10En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zuster Juda tot Mij niet bekeerd met haar ganse hart, maar valselijk, spreekt de HEERE.
11Zvino Jehovha akati kwandiri, Isiraeri wokudzokera shure, vakaita zvakarurama kukunda Judha wokusatendeka.
11Dies de HEERE tot mij zeide: De afgekeerde Israel heeft haar ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda.
12Enda unoparidza mashoko awa kurutivi rwokumusoro, uti, Dzokai, imwi Isiraeri wokudzokera shure ndizvo zvinotaura Jehovha; handingakutaririyi ndakatsamwa, nekuti ndine nyasha, handingarambi ndakatsamwa nokusingaperi ndizvo zvinotaura Jehovha.
12Gij henen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, gij afgekeerde Israel! spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op ulieden niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE. Ik zal den toorn niet in eeuwigheid behouden.
13Asi muzive zvakaipa zvenyu chete, kuti makadarikira Jehovha Mwari wenyu, mukafamba-famba muchitevera vatorwa pasi pemiti yose mitema, mukasateerera inzwi rangu ndizvo zvinotaura Jehovha.
13Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den HEERE, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder allen groenen boom, maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt de HEERE.
14Zvanzi naJehovha, Dzokai imwi vana vokudzokera shure, nekuti ndiri murume wenyu; ndichakutorai, mumwe paguta rimwe, vaviri parudzi rumwe, ndichikuisai Ziyoni.
14Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.
15Ndichakupai vafudzi vanofadza moyo wangu, vachakufudzai nezivo nenjere.
15En Ik zal ulieden herders geven naar Mijn hart; die zullen u weiden met wetenschap en verstand.
16Zvino kana mawanda nokuwedzerwa panyika pamazuva iwayo ndizvo zvinotaura Jehovha havangazoti, Areka yesungano yaJehovha; havangaifungi, havangairangariri, havangaitsvaki, havangaiitizve.
16En het zal geschieden, wanneer gij vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt de HEERE, zullen zij niet meer zeggen: De ark des verbonds des HEEREN, ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar niet bezoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden.
17Panguva iyo vachatumidza Jerusaremu chigaro choushe chaJehovha; marudzi ose achaunganidzirwapo, paJerusaremu, nokuda kwezita raJehovha; havachazofambi nohukukutu bwemoyo yavo yakashata.
17Te dier tijd zullen zij Jeruzalem noemen, des HEEREN troon; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om des HEEREN Naams wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.
18Namazuva iwayo imba yaJudha ichafamba pamwechete neimba yaIsiraeri, vachauya pamwechete vachibva kunyika yokumusoro kunyika yandakapa madzibaba enyu ive nhaka yavo.
18In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israel; en zij zullen te zamen komen uit het land van het noorden, in het land, dat Ik uw vaderen ten erve gegeven heb.
19Asi ndakati, Ndichakuisai sei pakati pavana vangu, ndikupei nyika inofadza, nhaka yakaisvonaka yamarudzi akawanda, ndikati, Imi muchanditumidza zita rokuti, Baba vangu, hamungazotsauki pakunditevera.
19Ik zeide wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen? Maar Ik zeide: Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en gij zult van achter Mij niet afkeren.
20Zvanzi naJehovha, Zvirokwazvo, mukadzi sezvaanosiya murume wake achinyengera, saizvozvo imwi makandinyengera, imwi imba yaIsiraeri.
20Waarlijk, gelijk een vrouw trouwelooslijk scheidt van haar vriend, alzo hebt gijlieden trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, gij huis Israels! spreekt de HEERE.
21Inzwi rinonzwika kuzvikomo zvisina miti, kuchema nokunyengetera kwavana vaIsiraeri; nekuti vakaminamisa nzira dzavo, vakakangamwa Jehovha Mwari wavo.
21Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen der kinderen Israels, omdat zij hun weg verkeerd, en den HEERE, hun God, vergeten hebben.
22Dzokai, imwi vana vokudzokera shure, ndichapodza kudzokera kwenyu. Tarirai, tauya kwamuri, nekuti imwi muri Jehovha Mwari wedu.
22Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God!
23Zvirokwazvo, zvinobva kuzvikomo nemhere-mhere inobva kumakomo hazvina maturo; zvirokwazvo kuponeswa kwaIsiraeri kuri kuna Jehovha Mwari wedu.
23Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in den HEERE, onzen God, is Israels heil!
24Asi chinhu chinonyangadza chakaparadza basa ramadzibaba edu kubva pahuduku bwedu, makwai avo nemombe dzavo, vanakomana vavo navanasikana vavo.
24Want de schaamte heeft den arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochteren.
25Ngativatei pasi nokunyadziswa kwedu, kunyara kwedu ngakutifukidze; nekuti takatadzira Jehovha Mwari wedu, isu namadzibaba edu, kubva pahuduku bwedu kusvikira pazuva ranhasi; hatina kuteerera inzwi raJehovha Mwari wedu.
25Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen den HEERE, onzen God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op dezen dag; en wij zijn der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest.