1Zvino Jerubhaari, ndiye Gidheoni, wakamuka mangwanani, iye navanhu vose vaiva naye, vakandodzika matende avo patsime reHarodhi; misasa yaMidhiani yakanga iri nechokumusoro kwavo, pachikomo cheMore pamupata.
1Toen stond Jerubbaal (dewelke is Gideon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein van Harod; dat hij het heirleger der Midianieten had tegen het noorden, achter den heuvel More, in het dal.
2Jehovha akati kuna Gidheoni, Vanhu vaunavo vakawandisa, kuti ndiise vaMidhiani mumaoko avo; kuti vaIsiraeri varege kuzvikudza pamberi pangu, vachiti, Maoko edu ndiwo akatiponesa.
2En de HEERE zeide tot Gideon: Des volks is te veel, dat met u is, dan dat Ik de Midianieten in hun hand zou geven; opdat zich Israel niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijn hand heeft mij verlost.
3Naizvozvo zvino, enda undoparidza vanhu vazvinzwe, uti, Ani naani unotya, unodedera, ngaadzoke hake, abve pagomo reGiriyadhi. Vanhu vane zviuru zvina makumi maviri nezviviri vakadzoka, vakasara vane zviuru zvine gumi.
3Nu dan, roep nu uit voor de oren des volks, zeggende: Wie blode en versaagd is, die kere weder, en spoede zich naar het gebergte van Gilead! Toen keerden uit het volk weder twee en twintig duizend, dat er tienduizend overbleven.
4Ipapo Jehovha akati kuna Gidheoni, Nazvino vanhu vachiri vazhinji, enda navo kumvura ndivaidzepo; zvino kana ndikati kwauri, Uyu anofanira kuenda newe, ndiye uchaenda newe; asi kana ndikati kwauri, Uyu haafaniri kuenda newe, iye haangaendi.
4En de HEERE zeide tot Gideon: Nog is des volks te veel; doe hen afgaan naar het water, en Ik zal ze u aldaar beproeven; en het zal geschieden, van welken Ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zal met u trekken; maar al degene, van welken Ik zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken.
5Ipapo akaenda navanhu kumvura; Jehovha akati kuna Gidheoni, Mumwe nomumwe unokapa mvura norurimi sezvinokapa imbwa, unofanira kumuisa kurutivi ari oga; saizvozvowo mumwe nomumwe unopfugama pamabvi ake pakumwa.
5En hij deed het volk afgaan naar het water. Toen zeide de HEERE tot Gideon: Al wie met zijn tong uit het water zal lekken, gelijk als een hond zou lekken, dien zult gij alleen stellen; desgelijks al wie op zijn knieen zal bukken om te drinken.
6Zvino vanhu vakanga vakapa, vachiisa maoko avo kumiromo, vakasvika varume vana mazana matatu; asi vamwe vose vakapfugama pamabvi avo pakumwa mvura.
6Toen was het getal dergenen, die met hun hand tot hun mond gelekt hadden, driehonderd man; maar alle overigen des volks hadden op hun knieen gebukt, om water te drinken.
7Ipapo Jehovha akati kuna Gidheoni, Ndichakuponesai navarume ava vana mazana matatu vakakapa mvura, nokuisa vaMidhiani muruoko rwako; vanhu vose ngavaende havo, mumwe nomumwe kutende rake.
7En de HEERE zeide tot Gideon: Door deze driehonderd mannen, die gelekt hebben, zal Ik ulieden verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats.
8Naizvozvo vanhu vakatora mbuva yavo mumaoko avo, nehwamanda dzavo; akaendisa vamwe varume vose vaIsiraeri, mumwe nomumwe kutende rake, asi wakasara navana mazana matatu; misasa yaMidhiani yakanga iri pasi pake mumupata.
8En het volk nam den teerkost in hun hand, en hun bazuinen; en hij liet al die mannen van Israel gaan, een iegelijk naar zijn tent; maar die driehonderd man behield hij. En hij had het heirleger der Midianieten beneden in het dal.
9Zvino nousiku uhwo Jehovha akati kwaari, Simuka, uburukire kumisasa, nekuti ndakavaisa muruoko rwako.
9En het geschiedde in denzelven nacht, dat de HEERE tot hem zeide: Sta op, ga henen af in het leger, want Ik heb het in uw hand gegeven.
10Asi kana uchitya kuburuka, uburuke kumisasa una Pura muranda wako;
10Vreest gij dan nog af te gaan, zo ga af, gij, en Pura, uw jongen, naar het leger.
11ugondonzwa zvavanotaura; shure kwaizvozvo maoko ako achasimbiswa kuburukira kumisasa. Ipapo akaburuka ana Pura muranda wake, kusvikira kumudzivo wavarwi, vakanga vari pamisasa.
11En gij zult horen, wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw handen gesterkt worden, dat gij aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn jongen, tot het uiterste der schildwachten, die in het leger waren.
12Zvino vaMidhiani navaAmareki navana vose vamabvazuva vakanga vari mumupata, vakawanda semhashu; namakamera avo akanga asingagoni kuverengwa, akanga akawanda sejecha riri pamahombekombe egungwa.
12En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kemelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan den oever der zee is, in menigte.
13Zvino Gidheoni wakati asvika, akanzwa munhu wakange achirondedzera kurota kwake kushamwari yake, akati, Tarira, ndarota hope, ndikaona chingwa chakabikwa chebhari chichikungurukira kumisasa yaMidhiani, chikasvika patende, ndokurirova rikawa; chikaritsindikira, tende rikavata pasi.
13Toen nu Gideon aankwam, ziet, zo was er een man, die zijn metgezel een droom vertelde, en zeide: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een geroost gerstebrood wentelde zich in het leger der Midianieten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om, het onderste boven, dat de tent er lag.
14Shamwari yake ikapindura, ikati, Hachizi chimwe chinhu, asi ndiwo munondo waGidheoni, mwanakomana waJoashi, murume waIsiraeri, Mwari wakaisa Midhiani nehondo yose muruoko rwake.
14En zijn metgezel antwoordde, en zeide: Dit is niet anders, dan het zwaard van Gideon, de zoon van Joas, de Israelietischen man; God heeft de Midianieten en dit ganse leger in zijn hand gegeven.
15Zvino Gidheoni wakati achinzwa kurondedzerwa kokurota uku nokududzirwa kwako, akanamata; akadzokera kumisasa, akati, Simukai, nekuti Jehovha wakaisa misasa yaMidhiani mumaoko enyu.
15En het geschiedde, als Gideon de vertelling dezes drooms, en zijn uitlegging hoorde, zo aanbad hij; en hij keerde weder tot het leger van Israel, en zeide: Maakt u op, want de HEERE heeft het leger der Midianieten in ulieder hand gegeven.
16Zvino akakamura varume avo vana mazana matatu, akaita mapoka matatu, akapa mumwe nomumwe hwamanda muruoko rwake, nezvirongo zvisine chiro, nezhenje mukati mezvirongo.
16En hij deelde de driehonderd man in drie hopen; en hij gaf een iegelijk een bazuin in zijn hand, en ledige kruiken, en fakkelen in het midden der kruiken.
17Akati kwavari, Mutarire kwandiri, mugoita seni; tarirai, kana ndichisvika kumudzivo wemisasa, sezvandinoita ini, nemiwo muite saizvozvo.
17En hij zeide tot hen: Ziet naar mij en doet alzo; en ziet, als ik zal komen aan het uiterste des legers, zo zal het geschieden, gelijk als ik zal doen, alzo zult gij doen.
18Kana ndoridza hwamanda ini navose vandinavo, nemiwo muridze hwamanda kunhivi dzose dzemisasa, muchiti, Munondo waJehovha nowaGidheoni!
18Als ik met de bazuin zal blazen, ik en allen, die met mij zijn, dan zult gijlieden ook met de bazuin blazen, rondom het ganse leger, en gij zult zeggen: Voor den HEERE en voor Gideon!
19Naizvozvo Gidheoni navarume vane zana vaakanga anavo, vakasvika kumudzivo wemisasa pakutanga kwenguva yapakati yousiku, vachangoisa varindi, vakaridza hwamanda, vakaputsa zvirongo zvakanga zviri mumaoko avo.
19Alzo kwam Gideon, en honderd mannen, die met hem waren, in het uiterste des legers, in het begin van de middelste nachtwaak, als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken, die in hun hand waren, in stukken.
20Ipapo mapoka matatu akaridza hwamanda, vakaputsa zvirongo, vakabata zhenje mumaoko avo oruboshwe, nehwamanda dzokuridza mumaoko avo orudyi, vakadanidzira vachiti, munondo waJehovha nowaGidheoni!
20Alzo bliezen de drie hopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met de linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van den HEERE, en van Gideon!
21Vakamira mumwe nomumwe panzvimbo yake, vakakomba misasa; hondo yose ikamhanya, vakaridza mhere, vakatiza.
21En zij stonden, een iegelijk in zijn plaats, rondom het leger. Toen verliep het ganse leger, en zij schreeuwden en vloden.
22Vakaridza hwamanda dzina mazana matatu, Jehovha akarwisa munondo womumwe nomumwe neshamwari yake, uye nehondo yose; hondo ikatiza kusvikira paBhetishita kurutivi rweZerera, kusvikira kumuganhu weAbherimehora, paTabhati.
22Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette de HEERE het zwaard des een tegen den anderen, en dat in het ganse leger; en het leger vluchtte tot Beth-Sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-Mehola, boven Tabbath.
23Zvino varume vaIsiraeri vakaungana, vachibva kwaNafutari, nokwaAsheri, nokwaManase, vakatevera Midhiani.
23Toen werden de mannen van Israel bijeengeroepen, uit Nafthali, en uit Aser, en uit gans Manasse; en zij jaagden de Midianieten achterna.
24Gidheoni akatuma nhume panyika yose yamakomo yaEfuremu, akati, Burukai mundorwa naMidhiani, muvatangire kugarira nzizi dzemvura kusvikira paBheti-bhara neJoridhaniwo.
24Ook zond Gideon boden in het ganse gebergte van Efraim, zeggende: Komt af de Midianieten tegemoet, en beneemt hunlieden de wateren, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; alzo werd alle man van Efraim bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bara, en de Jordaan.
25Vakabata machinda maviri aMidhiani, Orebhi naZeebhi, vakauraya Orebhi padombo raOrebhi, naZeebhi, vakamuuraya pachisviniro chewaini chaZeebhi, vakatevera vaMidhiani; vakauya nemisoro ya Orebhi naZeebhi kuna Gidheoni mhiri kwaJoridhani.
25En zij vingen twee vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, en doodden Oreb op den rotssteen Oreb, en Zeeb doodden zij in de perskuip van Zeeb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeeb tot Gideon, over de Jordaan.