1 神配合的人不可分開(太19:1~9;路16:18)耶穌從那裡動身,來到約旦河東的猶太境內。許多人又聚集到他那裡,他像平常一樣教導他們。
1En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar de landpalen van Judea, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen wederom samen bij Hem, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen wederom.
2有法利賽人前來試探耶穌,問他:“丈夫可以休妻嗎?”
2En de Farizeen, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, zijn vrouw te verlaten, Hem verzoekende.
3耶穌回答:“摩西吩咐你們的是甚麼呢?”
3Maar Hij antwoordende, zeide tot hen: Wat heeft u Mozes geboden?
4他們說:“摩西准許‘人寫了休書就可以休妻’。”
4En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten.
5耶穌說:“因為你們的心硬,摩西才寫這條例給你們。
5En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven.
6但從起初創造的時候, 神是‘造男造女’。
6Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt.
7‘因此人要離開父母,與妻子連合,
7Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen;
8二人成為一體了。’這樣,他們不再是兩個人,而是一體的了。
8En die twee zullen tot een vlees zijn, alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees.
9所以 神所配合的,人不可分開。”
9Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.
10回到屋子裡,門徒再提起這件事來問他。
10En in het huis vraagden Hem Zijn discipelen wederom van hetzelve.
11他對他們說:“誰休妻另娶,誰就是犯姦淫,得罪了妻子。
11En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar.
12如果妻子棄夫另嫁,也是犯了姦淫。”
12En indien een vrouw haar man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel.
13為小孩子按手祝福(太19:13~15;路18:15~17)有人帶著小孩子到耶穌跟前,要他撫摩他們;門徒卻責備那些人。
13En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.
14耶穌看見了就生氣,對門徒說:“讓小孩子到我這裡來,不要禁止他們,因為 神的國是屬於這樣的人的。
14Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.
15我實在告訴你們,凡是不像小孩子一樣接受 神的國的,絕對不能進去。”
15Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.
16於是耶穌把小孩子抱起來,為他們按手祝福。
16En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.
17有錢的人難進 神的國(太19:16~30;路18:18~30)耶穌又開始他的行程。那時,有一個人跑過來,跪在他面前,問他說:“良善的老師,我當作甚麼,才可以承受永生?”
17En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieen vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve?
18耶穌對他說:“你為甚麼稱我是良善的?除了 神一位以外,沒有良善的。
18En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God.
19誡命你是知道的:不可殺人,不可姦淫,不可偷盜,不可作假證供,不可欺詐,當孝敬父母。”
19Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder.
20他對耶穌說:“老師,這一切我從小都遵守了。”
20Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af.
21耶穌看著他,就愛他,對他說:“你還缺少一件:去變賣你所有的,分給窮人,就必定有財寶在天上,而且你要來跟從我。”
21En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij.
22那人聽見這話,就變了臉色,憂憂愁愁地走了,因為他的財產很多。
22Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen.
23耶穌周圍觀看,對門徒說:“富有的人要進 神的國,是多麼難哪!”
23En Jezus rondom ziende, zeide tot Zijn discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen!
24門徒都希奇他的話,耶穌又對他們說:“孩子們哪,(有些抄本在此有“倚靠錢財的人”一句)要進 神的國,是多麼困難!
24En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!
25駱駝穿過針眼,比有錢的人進 神的國還容易呢!”
25Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.
26門徒就更加驚奇,彼此說:“這樣,誰可以得救呢?”
26En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?
27耶穌看著他們,說:“在人不能,在 神卻不然,因為在 神凡事都能。”
27Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.
28彼得對他說:“你看,我們已經捨棄了一切,而且來跟從你了。”
28En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
29耶穌說:“我實在告訴你們,人為著我和福音捨棄了房屋、弟兄、姊妹、母親、父親、兒女、田地,
29En Jezus, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies wil,
30沒有不在今生得百倍──就是房屋、弟兄、姊妹、母親、兒女、田地,同時要受迫害──在來世還要得永生。
30Of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.
31然而許多在前的將要在後,在後的將要在前。”
31Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eersten.
32第三次預言受難及復活(太20:17~19;路18:31~33)在上耶路撒冷的路途中,耶穌走在前面,門徒希奇,跟從的人也害怕。耶穌又把十二門徒帶到一邊,把自己將要遭遇的事告訴他們,
32En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden;
33說:“我們現在上耶路撒冷去,人子要被交給祭司長和經學家,他們要定他的罪,並且把他交給外族人。
33Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren;
34他們要凌辱他,向他吐唾沫,鞭打他,殺害他,三天以後,他要復活。”
34En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
35不是要人服事而是要服事人(太20:20~28)西庇太的兒子雅各、約翰,來到耶穌跟前,對他說:“老師,我們無論向你求甚麼,願你為我們作成。”
35En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat Gij ons deedt, zo wat wij begeren zullen.
36耶穌說:“要我為你們作甚麼?”
36En Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doe?
37他們說:“在你的榮耀裡,讓我們一個坐在你的右邊,一個坐在你的左邊。”
37En zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechter hand, en de ander aan Uw linker hand in Uw heerlijkheid.
38耶穌說:“你們不知道你們求的是甚麼。我喝的杯,你們能喝嗎?我受的洗,你們能受嗎?”
38Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drink, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word?
39他們說:“能。”耶穌說:“我喝的杯,你們固然要喝;我受的洗,你們也要受。
39En zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker, dien Ik drink, zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word;
40只是坐在我的左右,不是我可以賜的,而是 神預備賜給誰,就賜給誰。”
40Maar het zitten tot Mijn rechter hand en tot Mijn linker hand staat bij Mij niet te geven; maar het zal gegeven worden dien het bereid is.
41其他十個門徒聽見了,就向雅各、約翰生氣。
41En als de andere tien dit hoorden, begonnen zij het van Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.
42耶穌把他們叫過來,對他們說:“你們知道各國都有被尊為元首的統治他們,也有官長管轄他們。
42Maar Jezus, het tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Gij weet, dat degenen, die geacht worden oversten te zijn der volken, heerschappij voeren over hen, en hun groten gebruiken macht over hen.
43但你們中間卻不要這樣;誰想在你們中間為大的,就要作你們的僕役,
43Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn.
44誰想在你們中間為首的,就要作大家的奴僕。
44En zo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn.
45因為人子來,不是要受人服事,而是要服事人,並且要捨命,作許多人的贖價。”
45Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.
46治好瞎眼的巴底買(太20:29~34;路18:35~43)他們進了耶利哥。耶穌、門徒和一大群人從耶利哥出來的時候,有一個瞎眼的人,是底買的兒子,名叫巴底買,坐在路旁討飯。
46En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende.
47他聽見是拿撒勒人耶穌,就喊叫,說:“大衛的子孫耶穌啊,可憐我吧!”
47En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner.
48許多人斥責他,叫他不要出聲;他卻更加放聲喊叫:“大衛的子孫啊,可憐我吧!”
48En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: Gij Zone Davids! ontferm U mijner.
49耶穌就站住,說:“把他叫過來。”他們就叫那瞎眼的人,對他說:“放心吧,起來,他叫你了。”
49En Jezus, stil staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u.
50他就丟下衣服,跳起來,走到耶穌那裡。
50En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus.
51耶穌對他說:“你要我為你作甚麼呢?”瞎眼的人對他說:“拉波尼,我要能看見。”
51En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden.
52耶穌說:“去吧,你的信使你痊愈了。”他立刻看見了,就在路上跟隨耶穌。
52En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.