1商議怎樣殺害耶穌(太26:1~5;路22:1~6)過兩天,就是逾越節和除酵節了,祭司長和經學家設法怎樣用詭計逮捕耶穌,把他殺害。
1En het pascha, en het feest der ongehevelde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.
2不過他們說:“不可在節期下手,免得引起民眾暴動。”
2Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat niet misschien oproer onder het volk worde.
3伯大尼婦人用香膏膏主(太26:6~13。參約12:1~8)耶穌在伯大尼,在患痲風的西門家裡吃飯的時候,有一個女人來了,拿著一瓶珍貴的純哪噠香膏。她打破了瓶,把香膏澆在耶穌的頭上。
3En als Hij te Bethanie was, in het huis van Simon, den melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalsten nardus, van groten prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd.
4有幾個人很生氣,彼此說:“為甚麼這樣浪費香膏呢?
4En er waren sommigen, die dat zeer kwalijk namen bij zichzelven, en zeiden: Waartoe is dit verlies der zalf geschied?
5這香膏可以賣三百多個銀幣,用來賙濟窮人。”他們就向她發怒。
5Want dezelve had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die den armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haar.
6但耶穌說:“由她吧!為甚麼難為她呢?她在我身上作的是一件美事。
6Maar Jezus zeide: Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.
7你們常常有窮人跟你們在一起,只要你們願意,隨時都可以向他們行善,然而你們卻不常有我。
7Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd.
8她已經盡她所能的作了。她預先用香膏膏了我的身體,是為了我的安葬。
8Zij heeft gedaan, hetgeen zij kon; zij is voorgekomen, om Mijn lichaam te zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis.
9我實在告訴你們,福音無論傳到世界上甚麼地方,都要傳講這女人所作的來記念她。”
9Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden, van hetgeen zij gedaan heeft.
10猶大出賣耶穌(太26:14~16)十二門徒中的一個,就是加略人猶大,去見祭司長,要把耶穌交給他們。
10En Judas Iskariot, een van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren.
11他們聽見了就很歡喜,答應給他銀子。於是猶大就找機會出賣耶穌。
11En zij, dat horende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht, hoe hij Hem bekwamelijk overleveren zou.
12最後的晚餐(太26:17~30;路22:7~23;約13:21~30。參林前11:23~25)除酵節的第一天,就是宰殺逾越節羊羔的那一天,門徒問耶穌:“你要我們到哪裡去,為你預備逾越節的晚餐呢?”
12En op den eersten dag der ongehevelde broden, wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan, en bereiden, dat Gij het pascha eet?
13他就差派兩個門徒,對他們說:“你們到城裡去,必有一個拿著水瓶的人,向你們迎面而來,你們就跟著他,
13En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat henen in de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik water, volgt dien;
14無論他進入哪一家,你們要對那家主說,老師說:‘我的客廳在哪裡?我和門徒好在那裡吃逾越節的晚餐。’
14En zo waar hij ingaat, zegt tot den heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?
15他必指給你們樓上一間布置整齊、預備妥當的大房間,你們就在那裡為我們預備。”
15En hij zal u wijzen een grote opperzaal, toegerust en gereed; bereidt het ons aldaar.
16門徒出去,進了城,所遇見的正如耶穌所說的,就預備好了逾越節的晚餐。
16En Zijn discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.
17到了晚上,耶穌和十二門徒來了。
17En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.
18他們坐著吃飯的時候,耶穌說:“我實在告訴你們,你們中間有一個跟我一起吃飯的人要出賣我。”
18En als zij aanzaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u, die met Mij eet, Mij zal verraden.
19他們就很憂愁,一個一個地問他:“是我嗎?”
19En zij begonnen bedroefd te worden, en de een na de ander tot Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het?
20耶穌對他們說:“他是十二門徒裡的一個,和我一同把手蘸在盤子裡的。
20Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het is een uit de twaalven, die met Mij in de schotel indoopt.
21正如經上指著人子所說的,他固然要離世,但出賣人子的那人有禍了!他沒有生下來還好。”
21De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt! Het ware hem goed, zo die mens niet geboren ware geweest.
22他們吃的時候,耶穌拿起餅來,祝謝了,就擘開,遞給門徒,說:“你們拿去吃吧,這是我的身體。”
22En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
23又拿起杯來,祝謝了就遞給門徒,他們都喝了。
23En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien; en zij dronken allen uit denzelven.
24耶穌說:“這是我的血,是為立約的,為許多人流出來的。
24En Hij zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.
25我實在告訴你們,我決不再喝這葡萄酒,直到我在 神的國裡喝新酒的那一天。”
25Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.
26他們唱完了詩,就出來,往橄欖山去。
26En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.
27預言彼得不認主(太26:31~35;路22:31~34;約13:36~38)耶穌對他們說:“你們都要後退,因為經上記著:‘我要擊打牧人,羊群就分散了。’
27En Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan Mij geergerd worden; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.
28但我復活以後,要比你們先到加利利去。”
28Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
29彼得對他說:“就算所有的人都後退,我卻不會。”
29En Petrus zeide tot Hem: Of zij ook allen geergerd werden, zo zal ik toch niet geergerd worden.
30耶穌對他說:“我實在告訴你,就在今天晚上,雞叫兩遍以前,你會三次不認我。”
30En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij Mij driemaal zult verloochenen.
31彼得更堅決地說:“就算必須與你一同死,我也決不會不認你!”眾人也都這樣說。
31Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen. En insgelijks zeiden zij ook allen.
32在客西馬尼禱告(太26:36~46;路22:39~46)他們來到一個地方,名叫客西馬尼;耶穌對門徒說:“你們坐在這裡,我去禱告。”
32En zij kwamen in een plaats, welker naam was Gethsemane, en Hij zeide tot Zijn discipelen: Zit hier neder, totdat Ik gebeden zal hebben.
33他帶了彼得、雅各、約翰一起去,就驚懼起來,非常難過。
33En Hij nam met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te worden;
34於是對他們說:“我的心靈痛苦得快要死了;你們要留在這裡,也要警醒。”
34En zeide tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier, en waakt.
35耶穌稍往前走,俯伏在地上禱告:如果可能的話,使那時刻不要臨到他。
35En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op de aarde, en bad, zo het mogelijk ware, dat die ure van Hem voorbijging.
36他說:“阿爸、父啊,你凡事都能作,求你叫這杯離開我。但不要照我的意思,只要照你的旨意。”
36En Hij zeide: Abba, Vader, alle dingen zijn U mogelijk; neem dezen drinkbeker van Mij weg, doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.
37耶穌回來,看見門徒睡著了,就對彼得說:“西門,你睡覺嗎?你連一個小時也不能警醒嗎?
37En Hij kwam, en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij? Kunt gij niet een uur waken?
38應當警醒、禱告,免得陷入試探;你們心靈雖然願意,肉體卻是軟弱的。”
38Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
39耶穌又去禱告,說的也是同樣的話。
39En wederom heengegaan zijnde, bad Hij, sprekende dezelfde woorden.
40他再回來的時候,看見門徒睡著了;因為他們十分疲倦,不知道該怎樣回答他。
40En wedergekeerd zijnde, vond Hij hen wederom slapende, want hun ogen waren bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem antwoorden zouden.
41耶穌第三次回來,對他們說:“你們還在睡覺休息嗎?夠了,時候到了,看哪,人子要被交在罪人手裡了。
41En Hij kwam ten derden male, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; het is genoeg, de ure is gekomen; ziet, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.
42起來,我們走吧!出賣我的人來了。”
42Staat op, laat ons gaan; ziet, die Mij verraadt, is nabij.
43耶穌被捕(太26:47~56;路22:47~53;約18:3~11)耶穌還在說話的時候,十二門徒中的猶大和一群拿著刀棒的人來到了;他們是祭司長、經學家和長老派來的。
43En terstond, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de ouderlingen.
44出賣耶穌的人給他們一個暗號,說:“我跟誰親嘴,誰就是他。你們把他逮捕,小心帶去。”
44En die Hem verried, had hun een gemeen teken gegeven, zeggende: Dien ik kussen zal, Die is het, grijpt Hem, en leidt Hem zekerlijk henen.
45猶大來到,立刻上前對耶穌說:“拉比!”就跟他親嘴。
45En als hij gekomen was, ging hij terstond tot Hem, en zeide: Rabbi, Rabbi, en kuste Hem.
46他們就動手拿住耶穌,逮捕了他。
46En zij sloegen hun handen aan Hem, en grepen Hem.
47站在旁邊的人中有一個拔出刀來,砍了大祭司的僕人一刀,削掉了他的一隻耳朵。
47En een dergenen, die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg den dienstknecht des hogepriesters, en hieuw hem zijn oor af.
48耶穌對他們說:“你們帶著刀棒出來,把我當作強盜捉拿嗎?
48En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zijt gij uitgegaan, met zwaarden en stokken, als tegen een moordenaar, om Mij te vangen?
49我天天在殿裡教導人,跟你們在一起,你們卻沒有捉拿我;但這是為了要應驗經上的話。”
49Dagelijks was Ik bij ulieden in den tempel, lerende, en gij hebt Mij niet gegrepen; maar dit geschiedt, opdat de Schriften vervuld zouden worden.
50門徒都離開他逃跑了。
50En zij, Hem verlatende, zijn allen gevloden.
51有一個青年,赤身披著一塊麻布,跟著耶穌。眾人捉住他的時候,
51En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem.
52他就丟掉麻布,赤身逃跑了。
52En hij, het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden.
53大祭司審問耶穌(太26:57~68;路22:67~71;約18:12~13、19~24)他們把耶穌押到大祭司那裡,所有的祭司長、長老和經學家都聚集在一起。
53En zij leidden Jezus henen tot den hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de schriftgeleerden.
54彼得遠遠地跟著耶穌,直到大祭司的官邸,和差役一同坐著烤火。
54En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen in de zaal des hogepriesters, en hij was mede zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur.
55祭司長和公議會全體都尋找證據控告耶穌,要把他處死,卻沒有找著。
55En de overpriesters, en de gehele raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om Hem te doden, en vonden niet.
56有許多人作假證供控告他,但他們的證供各不相符。
56Want velen getuigden valselijk tegen Hem, en de getuigenissen waren niet eenparig.
57有幾個人站起來,作假證供控告他說:
57En enigen, opstaande, getuigden valselijk tegen Hem, zeggende:
58“我們聽他說過:‘我要拆毀這座人手所造的聖所,三日之內要另建一座不是人手所造的聖所。’”
58Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen.
59就是這樣的見證,他們也不一致。
59En ook alzo was hun getuigenis niet eenparig.
60大祭司站起來,走到中間,問耶穌:“這些人作證控告你的是甚麼呢?你怎麼不回答呢?”
60En de hogepriester, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
61耶穌卻不作聲,甚麼也不回答。大祭司又問他:“你是那受稱頌者的兒子基督嗎?”
61Maar Hij zweeg stil, en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?
62耶穌說:“我是。你們要看見人子,坐在權能者的右邊,駕著天上的雲降臨。”
62En Jezus zeide: Ik ben het. En gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechter hand der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels.
63大祭司就撕開自己的衣服,說:“我們還要甚麼證人呢?
63En de hogepriester, verscheurende zijn klederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van node?
64你們都聽見這褻瀆的話了。你們認為怎麼樣?”眾人都定他該死的罪。
64Gij hebt de gods lastering gehoord; wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem, des doods schuldig te zijn.
65於是有些人就向他吐唾沫,蒙住他的臉。用拳頭打他,對他說:“你說預言吧!”差役把他拉去,用手掌打他。
65En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem kinnebakslagen.
66彼得三次不認主(太26:69~75;路22:54~62;約18:15~18、25~27)彼得在下邊院子的時候,大祭司的一個婢女來了,
66En als Petrus beneden in de zaal was, kwam een van de dienstmaagden des hogepriesters;
67看見彼得烤火,就瞪著他說:“你也是和拿撒勒人耶穌一夥的!”
67En ziende Petrus zich warmende, zag zij hem aan, en zeide: Ook gij waart met Jezus den Nazarener.
68彼得卻否認說:“我不知道,也不明白你在說甚麼!”他就走出去,到了前院,雞就叫了(有些抄本無“雞就叫了”一句)。
68Maar hij heeft het geloochend, zeggende: Ik ken Hem niet, en ik weet niet, wat gij zegt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide.
69那婢女看見他,又對站在旁邊的人說:“這個人也是他們一夥的。”
69En de dienstmaagd, hem wederom ziende, begon te zeggen tot degenen, die daarbij stonden: Deze is een van die.
70彼得還是不承認。過了一會,站在旁邊的人也對彼得說:“你真是他們一夥的,因為你也是加利利人。”
70Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna, die daarbij stonden, zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk, gij zijt een van die; want gij zijt ook een Galileer, en uw spraak gelijkt.
71彼得就發咒起誓說:“我不認得你們說的這個人!”
71En hij begon zichzelven te vervloeken en te zweren: Ik ken dezen Mens niet, Dien gij zegt.
72立刻雞就叫了第二遍。彼得想起耶穌對他說過的話:“雞叫兩遍以前,你要三次不認我。”他一想起來,就哭了(“他一想起來,就哭了”或譯:“他就奪步而出,痛哭起來”)。
72En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, hetwelk Jezus tot hem gezegd had: Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij, zich van daar makende, weende.