Dutch Staten Vertaling

聖經新譯本

Deuteronomy

14

1Gijlieden zijt kinderen des HEEREN, uws Gods; gij zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
1禁戒某種喪事的風俗“你們是耶和華你們的 神的兒女,不可為了死人割傷自己的身體,也不可使你們的額上光禿;
2Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; en u heeft de HEERE verkoren, om Hem tot een volk des eigendoms te zijn, uit al de volken, die op den aardbodem zijn.
2因為你是屬於耶和華你的 神的聖潔子民;耶和華從地上的萬民中揀選了你們,特作他自己的子民。
3Gij zult geen gruwel eten.
3潔淨與不潔淨的動物(利11:1~20)“可厭惡之物,你都不可吃。
4Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult; een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten;
4你們可以吃的牲畜是以下這些:牛、綿羊、山羊、
5Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.
5鹿、羚羊、赤鹿、野山羊、麋鹿、野羊、野鹿。
6Alle beesten, die de klauwen verdelen, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult gij eten.
6在走獸中,分蹄成兩蹄趾,又反芻的走獸,你們都可以吃。
7Maar deze zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die den gekloofden klauw alleen verdelen: den kemel, en den haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdelen den klauw niet; onrein zullen zij ulieden zijn.
7但是那些反芻或分蹄的走獸中,你們不可吃的有:駱駝、兔子和石獾,因為牠們反芻卻不分蹄,就對你們不潔淨。
8Ook het varken; want dat verdeelt zijn klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het ulieden zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij niet aanroeren.
8至於豬,因為牠分蹄卻不反芻,就對你們不潔淨。牠們的肉,你們不可吃;牠們的屍體,你們不可觸摸。
9Dit zult gij eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult gij eten.
9“在水中,你們可以吃的,有以下這些:有鰭有鱗的,你們都可以吃。
10Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult gij niet eten; het zal ulieden onrein zijn.
10有鰭沒有鱗的,你們都不可吃;這是對你們不潔淨的。
11Allen reinen vogel zult gij eten.
11“潔淨的鳥類,你們都可以吃。
12Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;
12你們不可吃的鳥類有以下這些:鷹、狗頭鷹、紅頭鷹、
13En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;
13鳶、隼、黑隼,以及這一類的鳥;
14En alle rave naar zijn aard;
14烏鴉和這一類的鳥;
15En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
15駝鳥、夜鷹、海鷹、雀鷹,以及這一類的鳥;
16En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,
16小貓頭鷹、貓頭鷹、角鴟、
17En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;
17小梟、禿鵰、魚鷹、
18En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;
18鸛、鷺,以及這一類的鳥;戴勝和蝙蝠。
19Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.
19有翅膀的昆蟲,對你們都不潔淨,你們都不可吃。
20Al het rein gevogelte zult gij eten.
20潔淨的鳥類,你們都可以吃。
21Gij zult geen dood aas eten; den vreemdeling, die in uw poorten is, zult gij het geven, dat hij het ete, of verkoopt het den vreemde; want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.
21“自死的動物,你們都不可吃;可以送給你城裡的寄居者吃,或是賣給外族人吃,因為你是歸耶和華為聖的子民;不可用山羊羔母的奶煮山羊羔。
22Gij zult getrouwelijk vertienen al het inkomen uws zaads, dat elk jaar van het veld voortkomt.
22什一奉獻的條例“你要把你撒種所產的,就是田地每年所出的,獻上十分之一。
23En voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen, zult gij eten de tienden van uw koren, van uw most, en van uw olie, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen; opdat gij den HEERE, uw God, leert vrezen alle dagen.
23又要把你的五穀、新酒和新油的十分之一,以及你牛群羊群中頭生的,在耶和華你的 神面前吃,就是在他選擇作他名的居所的地方吃,好使你可以學習常常敬畏耶和華你的 神。
24Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen heendragen, omdat de plaats te verre van u zal zijn, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te stellen; wanneer de HEERE, uw God, u zal gezegend hebben;
24耶和華你的 神賜福與你的時候,耶和華你的 神選擇要立為他名的地方,如果離你太遠,那路又太長,使你不能把供物帶到那裡去;
25Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal;
25你就可以換成銀子,把銀子拿在手裡,到耶和華你的 神選擇的地方去,
26En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet aldaar voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en weest vrolijk, gij en uw huis.
26你可以用這銀子隨意買牛羊、清酒和烈酒;你心想要的,都可以買;在那裡,你和你的家人,都要在耶和華你的 神面前吃喝歡樂。
27Maar den Leviet, die in uw poorten is, zult gij niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erve met u.
27住在你城裡的利未人,你不可丟棄他,因為他在你們中間無分無業。
28Ten einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelve jaar, en gij zult ze wegleggen in uw poorten;
28“每三年之末,你要把那一年的全部出產的十分之一取出來,積存在你的城裡;
29Zo zal komen de Leviet, dewijl hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u de HEERE, uw God, zegene in al het werk uwer hand, dat gij doen zult.
29這樣,利未人(因為他在你們中間無分無業),以及在你城裡的寄居者和孤兒寡婦,就可以來,吃得飽足;好叫耶和華你的 神,在你手所作的一切事上,賜福給你。”