1Ten einde van zeven jaren zult gij een vrijlating maken.
1豁免年的條例(利25:1~7)“每七年的最後一年,你要施行豁免。
2Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den HEERE een vrijlating heeft uitgeroepen.
2豁免的方式是這樣:債主都要把借給鄰舍的一切豁免了,不可向鄰舍和兄弟追討,因為耶和華的豁免年已經宣告了。
3Den vreemde zult gij manen; maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten;
3如果借給外族人,你可以向他追討,但借給你的兄弟,無論你借的是甚麼,你都要豁免。
4Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de HEERE zal u overloediglijk zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve zal geven, om hetzelve erfelijk te bezitten;
4在你中間必沒有窮人,因為在耶和華你的 神賜給你作產業的地上,耶和華必大大賜福給你。
5Indien gij slechts de stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebiede.
5只要你留心聽從耶和華你的 神的話,謹守遵行我今日吩咐你的一切誡命。
6Want de HEERE, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult gij aan vele volken lenen; maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen.
6因為耶和華你的 神,必照著他應許你的,賜福給你;你必借貸給許多國的民,卻不會向他們借貸;你必統治許多國的民,他們卻不會統治你。
7Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is;
7“但是在耶和華你的 神賜給你的地上,無論哪一座城裡,在你中間如果有一個窮人,又是你的兄弟,你對這窮苦的兄弟不可硬著心腸,也不可袖手不理。
8Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.
8你一定要向他伸手,照著他缺乏的借給他,補足他的缺乏。
9Wacht u, dat in uw hart geen Belials-woord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uw broeder, die arm is, en dat gij hem niet gevet; en hij over u roepe tot den HEERE, en zonde in u zij.
9你要自己謹慎,不可心裡起惡念,說:‘第七年的豁免年近了’,你就冷眼對待你窮苦的兄弟,甚麼都不給他,以致他因你求告耶和華,你就有罪了。
10Gij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft; want om dezer zake wil zal u de HEERE, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan gij uw hand slaat.
10你必須給他,給他的時候,你不要心裡難受,因為為了這事,耶和華你的 神必在你一切工作上,和你所辦的一切事上,賜福給你。
11Want de arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land.
11既然在地上必有窮人存在,所以我吩咐你說:‘你總要向你地上的困苦和貧窮的兄弟大伸援助之手。’
12Wanneer uw broeder, een Hebreer of een Hebreinne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan.
12對待奴婢的條例(出21:1~11)“你的兄弟,無論是希伯來男人,或是希伯來女人,如果賣身給你,要服事你六年;到第七年,就要讓他離開你得自由。
13En als gij hem vrij van u gaan laat, zo zult gij hem niet ledig laten gaan:
13你使他自由離開的時候,不可讓他空手而去;
14Gij zult hem rijkelijk opleggen van uw kudde, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers; waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven.
14要從你的羊群、禾場、榨酒池中,多多地供給他;耶和華你的 神怎樣賜福給你,你也要怎樣分給他。
15En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat u de HEERE, uw God, verlost heeft; daarom gebiede ik u heden deze zake.
15你要記得你在埃及地作過奴僕,耶和華你的 神救贖了你;因此我今日吩咐你這件事。
16Maar het zal geschieden, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is;
16如果他對你說:‘我不願離開你。’他說這話是因為他愛你和你的家,又因為他喜歡和你相處,
17Zo zult gij een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen.
17那麼,你就要拿錐子,把他的耳朵在門上刺透,他就永遠作你的奴僕;對待你的婢女,你也要這樣行。
18Het zal niet hard zijn in uw ogen, als gij hem vrij van u gaan laat; want als een dubbel-loons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u de HEERE, uw God, zegenen in alles, wat gij doen zult.
18你使他自由離開你的時候,不要為難,因為他服事了你六年,應得雇工雙倍的工資;這樣,耶和華你的 神必在你所作的一切事上,賜福給你。
19Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde mannelijk, zult gij den HEERE, uw God, heiligen; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene uwer schapen scheren.
19頭生牛羊的條例“你的牛群羊群中所生,是頭生雄性的,你都要把牠分別為聖歸給耶和華你的 神。你的牛群中頭生的,你不可用牠去耕田;你的羊群中頭生的,你不可給牠剪毛。
20Voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats, die de HEERE zal verkiezen, gij en uw huis.
20你和你的家人,年年要在耶和華選擇的地方,在耶和華你的 神面前,吃這頭生的牲畜。
21Doch als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult gij het den HEERE, uw God, niet offeren;
21這頭生的,如果有甚麼殘疾,像瘸腿或是瞎眼,無論有任何嚴重的殘疾,你都不可獻給耶和華你的 神。
22In uw poorten zult gij het eten; de onreine en de reine te zamen, als een ree, en als een hert,
22你可以在家裡吃,不潔淨的人和潔淨的人都一樣可以吃,像吃羚羊和鹿一樣。
23Zijn bloed alleen zult gij niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water.
23只是不可吃牠的血;要把血倒在地上,像倒水一樣。”