Dutch Staten Vertaling

聖經新譯本

Isaiah

37

1En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.
1希西家向以賽亞求救(王下19:1~4)希西家王聽見了,就撕裂衣服,披上麻布,進了耶和華的殿。
2Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja, den profeet, den zoon van Amoz;
2他差派管家以利亞敬、書記舍伯那和祭司中的長老,都披上麻布,去見亞摩斯的兒子以賽亞先知。
3En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkia: Deze dag is een dag der benauwdheid, en der schelding, en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.
3他們對他說:“希西家這樣說:‘今日是急難、責罰和凌辱的日子,就像嬰孩快要出生的時候,卻沒有氣力生出來一樣。
4Misschien zal de HEERE, uw God, horen de woorden van Rabsake, denwelken zijn heer, de koning van Assyrie, gezonden heeft, om den levenden God te honen, en te schelden met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.
4也許耶和華你的 神聽見拉伯沙基的話,就是他的主人亞述王派他來辱罵永活的 神的話;耶和華你的 神會因他所聽見的話斥責他;因此,求你為餘剩下來的人獻上禱告。’”
5En de knechten van den koning Hizkia kwamen tot Jesaja.
5以賽亞安慰的話(王下19:5~7)希西家王的臣僕就去見以賽亞,
6En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gijlieden tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars des konings van Assyrie gelasterd hebben.
6以賽亞對他們說:“要對你們的主人這樣說:‘耶和華這樣說:你不要因為聽見亞述王的僕人褻瀆我的話而害怕。
7Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.
7看哪!我必使靈進入他裡面,以致他聽見風聲就歸回本地;我必使他在那裡倒在刀下。’”
8Zo kwam Rabsake weder, en hij vond den koning van Assyrie strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.
8亞述王恐嚇的話(王下19:8~13)拉伯沙基回去的時候,正遇見亞述王攻打立拿;原來他早已聽聞亞述王拔營離開了拉吉。
9Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetogen, om tegen u te strijden; toen hij zulks hoorde, zo zond hij weder boden tot Hizkia, zeggende:
9亞述王聽到關於古實王特哈加的報告說:“他出來要與你爭戰”;亞述王聽見了,就差派使者去見希西家,說:
10Zo zult gijlieden spreken tot Hizkia, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrie niet gegeven worden.
10“你們要對猶大王希西家這樣說:不要給你所倚靠的 神欺騙你說:耶路撒冷必不交在亞述王的手裡。
11Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van Assyrie aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden?
11你必定聽過亞述列王向列國所行的,就是把她們完全毀滅,難道你還有救嗎?
12Hebben de goden der volken die mijn vaders verdorven hebben, dezelven gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?
12我列祖所毀滅的國,有歌撒、哈蘭、利色和在提.拉撒的伊甸人,這些國的神曾拯救她們嗎?
13Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarvaim, Hena en Ivva?
13哈馬的王、亞珥拔的王、西法瓦音城的王、希拿和以瓦的王,現在都在哪裡呢?”
14Als nu Hizkia de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN; en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.
14希西家向 神禱告(王下19:14~19)希西家從使者手裡接過信卷,讀完了,就上耶和華的殿,在耶和華面前把信卷展開。
15En Hizkia bad tot den HEERE, zeggende:
15希西家向耶和華禱告說:
16O HEERE der heirscharen, Gij, God van Israel, Die tussen de cherubim woont! Gij Zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde; Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt!
16“萬軍之耶和華,以色列的 神,坐在二基路伯中間的啊!唯獨你是地上萬國的 神;你創造了天地。
17O HEERE! neig Uw oor en hoor, HEERE! doe Uw ogen open, en zie; en hoor al de woorden van Sanherib, die gezonden heeft om den levenden God te honen.
17耶和華啊,求你側耳而聽!耶和華啊,求你開眼察看!要聽西拿基立的一切話,就是那差派使者來辱罵永活的 神的。
18Waarlijk, HEERE! hebben de koningen van Assyrie al de landen, mitsgaders derzelver landerijen verwoest;
18耶和華啊!亞述列王果然使列國和他們的土地變成荒涼,
19En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.
19又把列國的神都扔進火中;因為他們不是神,只是人手所做的,不過是木頭和石頭,所以他們就滅絕了他們。
20Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons uit zijn hand, zo zullen alle koninkrijken der aarde weten, dat Gij alleen de HEERE zijt.
20耶和華我們的 神啊!現在求你拯救我們脫離亞述王的手,使地上萬國都知道唯有你耶和華是 神。”
21Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, om te zeggen: Alzo zegt de HEERE, de God Israels: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrie, heb Ik gehoord.
21以賽亞預言亞述必敗(王下19:20~34)亞摩斯的兒子以賽亞就派人去見希西家,說:“耶和華以色列的 神這樣說:‘因為你向我禱告關於亞述王西拿基立的事,
22Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
22耶和華就有以下的話攻擊他,說:錫安的處女藐視你,嗤笑你;耶路撒冷的女子在你背後搖頭。
23Wien hebt gij gehoond, en gij gelasterd, en tegen Wien hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israels!
23你辱罵誰、褻瀆誰?你揚起聲音,又高舉眼目,要攻擊誰?就是攻擊以色列的聖者。
24Door middel uwer dienstknechten hebt gij den HEERE gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogte der bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen tot zijn uiterste hoogte, in het woud zijns schonen velds.
24你藉著你的臣僕辱罵主;你又說:我率領我眾多的戰車上了群山的高峰,到了黎巴嫩極深之處。我砍伐其中高大的香柏樹和佳美的松樹;我去到極高之處,進入肥田般的樹林。
25Ik heb gegraven en de wateren gedronken; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
25我挖井和喝水;我用我的腳掌踏乾埃及的河流。’
26Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb, en dat van de oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.
26耶和華說:‘難道你沒有聽見古時我所安排,往昔所計劃的嗎?現在我才使它成就,使堅固的城鎮荒廢,變作亂堆。
27Daarom waren haar inwoners handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras des velds en de groene grasscheutjes, als het hooi der daken, en het brandkoren, eer het overeind staat.
27因此,其中的居民軟弱無力,驚惶羞愧,像田間的蔬菜和青綠的草,又像房頂上的草,還沒有長起來,就乾焦了。
28Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
28你坐下,你出,你入,你向我發烈怒,我都知道。
29Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.
29因為你向我發烈怒,又因你的狂傲達到我耳中,我要把鉤子放進你的鼻孔,把嚼環放進你的嘴裡,使你從你來的路上回去。
30En dat zij u een teken, dat men in dit jaar, wat van zelf gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.
30希西家啊!這要作你的兆頭:今年你們要吃自生的,明年還要吃自長的,後年你們就要撒種,要收割,要栽種葡萄園,吃園中的果子。
31Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en het zal opwaarts vrucht dragen.
31猶大家所逃脫的餘民,必再向下扎根,往上結果。
32Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den berg Sion; de ijver des HEEREN der heirscharen zal dit doen.
32因為餘下的人必從耶路撒冷出來,逃脫的人必從錫安山出來。萬軍之耶和華的熱心必作成這事。’
33Daarom, zo zegt de HEERE van den koning van Assyrie: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen.
33所以耶和華這樣論到亞述王,說:‘他必不會來到這城,也不會在這裡射箭;不會拿著盾牌來到城前,也不會築土壘攻城。
34Door den weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.
34他從哪條路來,也必從那條路回去;他必不得進入這城;這是耶和華的宣告。
35Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en om Davids, Mijns knechts wil.
35因我為自己的緣故,又為我僕人大衛的緣故,必保護這城,拯救這城。’”
36Toen voer de engel des HEEREN uit, en sloeg in het leger van Assyrie honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
36 神懲罰亞述王(王下19:35~37;代下32:20~21)於是耶和華的使者出去,在亞述營中擊殺了十八萬五千人;到了早晨,有人起來,所見的都是死屍。
37Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrie, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Nineve.
37亞述王西拿基立就拔營離去,返回本地,住在尼尼微。
38Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
38他在自己的神尼斯洛廟裡叩拜的時候,他的兒子亞得米勒和沙利色用刀殺了他,然後逃到亞拉臘地。他的兒子以撒哈頓接續他作王。