1In die dagen werd Hizkia krank tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Alzo zegt de HEERE: Geef bevel aan uw huis; want gij zult sterven, en niet leven.
1希西家病危與康復(王下20:1~11;代下32:24)那時,希西家患了重病,快要死去。亞摩斯的兒子以賽亞先知來見他,對他說:“耶和華這樣說:‘你要把你的家整頓妥當,因為你快要死去,不能存活。’”
2Toen keerde Hizkia zijn aangezicht om naar den wand, en hij bad tot den HEERE.
2希西家就轉臉向牆,對耶和華禱告、
3En hij zeide: Och HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende gans zeer.
3說:“耶和華啊!求你記念我在你面前怎樣誠誠實實、以純全的心來行事,又作你眼中看為善的事。”然後,希西家就痛哭起來。
4Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jesaja, zeggende:
4耶和華的話臨到以賽亞說:
5Ga henen, en zeg tot Hizkia: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen;
5“你去告訴希西家:‘耶和華你祖先大衛的 神這樣說:我聽見了你的禱告,看見了你的眼淚;看哪!我必在你的壽數上加添十五年。
6En Ik zal u uit de hand des konings van Assyrie verlossen, mitsgaders deze stad; en Ik zal deze stad beschermen.
6我必救你和這城脫離亞述王的手;我必保護這城。’
7En dit zal u een teken zijn van den HEERE, dat de HEERE het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal:
7以下就是耶和華給你的兆頭,為要證明耶和華必成全他所說過的。
8Zie, Ik zal de schaduw der graden, die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer nederwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doen keren. Dies is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij nederwaarts gegaan was.
8看哪!我要使亞哈斯日晷上那向前進的日影往後退十度。”於是那向前進的日影,果然在日晷上往後退了十度。
9Dit is het schrift van Hizkia, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was.
9希西家的感恩歌猶大王希西家從病患中痊愈以後,就寫了這詩:
10Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.
10我曾說:在我盛年之際,我竟要進入陰間之門;我餘剩的年日,竟被奪去。
11Ik zeide: Ik zal den HEERE niet meer zien, den HEERE, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld.
11我曾說:在活人之地,我必不得見耶和華;在世間的居民中,我必不再見到任何人。
12Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.
12我的住處被拔起,遷離了我,像牧人的帳棚一樣;我捲起我的性命,像織布的捲布一樣;他把我從機頭剪斷;一日之間,他必使我生命終結。
13Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe; gelijk een leeuw, alzo zal Hij al mijn beenderen breken; van den dag tot den nacht, zult Gij mij ten einde gebracht hebben.
13我不斷哀歎,直到早晨,他像獅子一般,折斷我所有的骨頭;一日之間,他必使我生命終結。
14Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.
14我像燕子呻吟,像白鶴鳴叫,又像鴿子哀鳴。我的眼睛因仰望高處而疲倦;耶和華啊!我受欺壓,求你作我的保障。
15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.
15我可說甚麼呢?他應許我的,已給我成全了;因我的心曾受過苦楚,所以我要謹慎地度我所有的年日。
16Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
16主啊!人活著是在於這些,我的靈存活,也在於這些。所以求你使我恢復健康,使我存活。
17Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
17看哪!我受盡苦楚,為要使我得平安;你保全我的性命,脫離毀滅的坑,因為你把我的一切罪都丟在你的背後。
18Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.
18陰間不能稱謝你,死亡不能讚美你,下坑的人都不能仰望你的信實。
19De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.
19只有活人才能稱謝你,像我今日一樣;作父親的,要讓兒女知道你的信實。
20De HEERE was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen; al de dagen onzes levens, in het huis des HEEREN.
20耶和華必拯救我,因此我們要一生一世在耶和華的殿中,用絲弦的樂器彈奏我的詩歌。
21Jesaja nu had gezegd: Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen.
21以賽亞說:“叫人拿一塊無花果餅來,貼在瘡上,王就必痊愈。”
22En Hizkia had gezegd: Welk zal het teken zijn, dat ik ten huize des HEEREN zal opgaan?
22希西家問:“我能上耶和華的殿去,有甚麼兆頭呢?”