Dutch Staten Vertaling

Korean

Job

41

1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
1욥이 여호와께 대답하여 가로되
2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
2주께서는 무소불능하시오며 무슨 경영이든지 못 이루실 것이 없는 줄 아오니
3Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
3무지한 말로 이치를 가리우는 자가 누구니이까 내가 스스로 깨달을 수 없는 일을 말하였고 스스로 알 수 없고 헤아리기 어려운 일을 말하였나이다
4Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?
4내가 말하겠사오니 주여 ! 들으시고 내가 주께 묻겠사오니 주여 ! 내게 알게 하옵소서
5Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
5내가 주께 대하여 귀로 듣기만 하였삽더니 이제는 눈으로 주를 뵈옵나이다 !
6Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.
6그러므로 내가 스스로 한하고 티끌과 재 가운데서 회개하나이다 !
7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
7여호와께서 욥에게 이 말씀을 하신 후에 데만 사람 엘리바스에게 이르시되 내가 너와 네 두 친구에게 노하나니 이는 너희가 나를 가리켜 말한 것이 내 종 욥의 말 같이 정당하지 못함이니라
8Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
8그런즉 너희는 수송아지 일곱과 수양 일곱을 취하여 내 종 욥에게 가서 너희를 위하여 번제를 드리라 내 종 욥이 너희를 위하여기도할 것인즉 내가 그를 기쁘게 받으리니 너희의 우매한대로 너희에게 갚지 아니하리라 이는 너희가 나를 가리켜 말한 것이 내 종 욥의 말 같이 정당하지 못함이니라
9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
9이에 데만 사람 엘리바스와 수아 사람 빌닷과 나아마 사람 소발이 가서 여호와께서 자기들에게 명하신 대로 행하니라 여호와께서 욥을 기쁘게 받으셨더라
10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
10욥이 그 벗들을 위하여 빌매 여호와께서 욥의 곤경을 돌이키시고 욥에게 그전 소유보다 갑절이나 주신지라
11Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedende pot en ruimen ketel.
11이에 그의 모든 형제와 자매와 및 전에 알던 자들이 다 와서 그 집에서 그와 함께 식물을 먹고 여호와께서 그에게 내리신 모든 재앙에 대하여 그를 위하여 슬퍼하며 위로하고 각각 금 한 조각과 금고리 하나씩 주었더라
12Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.
12여호와께서 욥의 모년에 복을 주사 처음 복보다 더 하게 하시니 그가 양 일만 사천과 약대 육천과 소 일천 겨리와 암나귀 일천을 두었고
13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
13또 아들 일곱과 딸 셋을 낳았으며
14De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.
14그가 첫째 딸은 여미마라 이름하였고 둘째 딸은 긋시아라 이름하였고 세째 딸은 게렌합북이라 이름하였으며
15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.
15전국 중에 욥의 딸들처럼 아리따운 여자가 없었더라 그 아비가 그들에게 그 오라비처럼 산업을 주었더라
16Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
16그 후에 욥이 일백 사십년을 살며 아들과 손자 사대를 보았고
17Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.
17나이 늙고 기한이 차서 죽었더라
18Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
18
19De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.
19
20De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.
20
21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
21
22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
22
23Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
23
24Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.
24
25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
25
26
26
27
27
28
28
29
29
30
30
31
31
32
32
33
33
34
34