1Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
1
ای فرزندم، آیا ضامن همسایهات شدهای و بهخاطر شخص غریبهای قول دادهای؟
2Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.
2
آیا با دست خود، خودت را به دام انداختهای و بهخاطر قولی که دادهای گرفتار شدهای؟
3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
3
ای فرزندم، در این صورت اسیر شدهای. پس هرچه میگویم انجام بده تا خود را آزاد کنی. فوراً نزد او برو خواهش کن و ضمانت خود را پس بگیر.
4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
4
تا این کار را نکردهای نخواب و حتّی لحظهای آرام ننشین.
5Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
5
خودت را مثل آهو از کمند و مثل گنجشک از دام صیاد آزاد کن.
6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
6
مردم تنبل باید از زندگی مورچهها عبرت بگیرند.
7Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,
7
آنها نه رهبر دارند و نه فرمانده،
8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.
8
امّا آذوقهٔ زمستان خود را هنگام تابستان ذخیره میکنند.
9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
9
شخص تنبل تا چه هنگام میخوابد و چه وقت بیدار خواهد شد؟
10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
10
او میگوید: «اندکی بیشتر میخوابم و کمی استراحت میکنم!»
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
11
امّا وقتیکه خواب است، فقر و هلاکت مانند راهزن بر او حمله میکنند.
12Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;
12
مردمان پست و بیارزش همیشه و همهجا دروغ میگویند.
13Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren;
13
چشمک میزنند و حرکاتی میکنند که تو را فریب بدهند.
14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.
14
همیشه فکرشان پر از نقشههای پلید و زشت است تا دردسر ایجاد کنند.
15Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.
15
به همین دلیل، بلا و مصیبت ناگهانی بر آنها حمله میکند و آنها را طوری شکست میدهد که دیگر چارهای نداشته باشند.
16Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:
16
شش، بلکه هفت چیز است که خداوند از آنها نفرت دارد و نمیتواند تحمّل کند:
نگاه متکبّرانه،
زبان دروغگو،
دستی که خون بیگناهی را بریزد،
فکری که نقشههای پلید بکشد،
پایی که برای انجام کارهای زشت عجله کند،
شاهدی که شهادت دروغ بدهد
و کسیکه رابطهٔ دوستان و خویشاوندان را به هم بزند.
17Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;
17
ای فرزند من هرچه پدرت میگوید انجام بده و آنچه مادرت میگوید فراموش مکن.
18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;
18
سخنان آنها را پیوسته بهخاطر داشته باش و آنها را در قلبت حفظ کن.
19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
19
تعالیم آنها هنگام سفر راهنما، شبها محافظ و روزها مشاور تو خواهند بود.
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
20
اوامر آنها مانند چراغی روشن است و سرزنشهای ایشان طریق زندگی را به تو میآموزد.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
21
آنها تو را از زن شوهردار و از سخنان فریبندهٔ او دور میکنند.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
22
زیبایی آنان تو را تحریک ننماید و چشمان افسونگرشان تو را وسوسه نکند.
23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
23
زنا کردن با زن فاحشه، به قیمت یک قرص نان تمام میشود، امّا زنا کردن با زن شوهردار به قیمت هستی و زندگی انسان تمام میشود.
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
24
آیا میتوانی آتش را در آغوش بگیری و نسوزی؟
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
25
آیا کسی میتواند روی آتش راه برود و پایش نسوزد؟
26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
26
همینطور کسیکه با زن شوهردار همخواب شود، از مجازات در امان نخواهد بود.
27Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?
27
مردم دزدی را که بهخاطر گرسنگی دزدی کرده است، سرزنش نمیکنند؛
28Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?
28
امّا اگر دستگیر شود، باید هفت برابر آن چه دزدیده جریمه بدهد. باید هرچه دارد بدهد.
29Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.
29
امّا مردی که با زن شوهردار زنا میکند، کاملاً بیشعور است. زیرا او جان خود را از بین میبرد.
30Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;
30
رسوایی و کتک نصیب او خواهد شد و ننگ او از بین نخواهد رفت.
31En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis.
31
زیرا حسادت خشم شوهر را برمیانگیزد و در موقع انتقام هیچ رحم و شفقتی نخواهد کرد.
هیچ چیز او را راضی نمیکند و به هیچ قیمتی نمیتوان رضایت او را به دست آورد.
32Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet;
32
هیچ چیز او را راضی نمیکند و به هیچ قیمتی نمیتوان رضایت او را به دست آورد.
33Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.
34Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.
35Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.