1Dit zijn de woorden des verbonds, dat de HEERE Mozes geboden heeft te maken met de kinderen Israels, in het land van Moab, boven het verbond, dat Hij met hen gemaakt had aan Horeb.
1重申立約之言這些是耶和華在摩押地,吩咐摩西與以色列人所立的約的話,是耶和華和他們在何烈山所立的約以外的。(本節在《馬索拉抄本》為28:69)
2En Mozes riep gans Israel, en zeide tot hen: Gij hebt gezien al wat de HEERE in Egypteland voor uw ogen gedaan heeft, aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan zijn land;
2摩西把以色列眾人召了來,對他們說:“耶和華在埃及地,在你們面前,向法老和他的眾臣僕,以及他的全國所行的一切,你們都看見了,(本節在《馬索拉抄本》為29:1)
3De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, diezelve tekenen en grote wonderen.
3就是你親眼見過的大試驗和神蹟,以及那些大奇事;
4Maar de HEERE heeft ulieden niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op dezen dag.
4但是直到今日,耶和華還沒有給你們一顆能明白的心,能看見的眼睛,能聽見的耳朵。
5En Ik heb ulieden veertig jaren doen wandelen in de woestijn; uw klederen zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet.
5我在曠野四十年之久領導你們;你們身上的衣服沒有穿破,腳上的鞋也沒有穿壞。
6Brood hebt gij niet gegeten, en wijn en sterken drank hebt gij niet gedronken; opdat gij wistet, dat Ik de HEERE, uw God, ben.
6飯你們沒有吃,清酒或烈酒你們沒有喝,這是要使你們知道耶和華是你們的 神。
7Toen gij nu kwaamt aan deze plaats, toog Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen.
7你們來到了這地方,希實本王西宏和巴珊王噩就出來,與我們交戰,我們擊敗了他們。
8En wij hebben hun land ingenomen, en dat ten erve gegeven aan de Rubenieten en Gadieten, mitsgaders aan den halven stam der Manassieten.
8奪取了他們的地,分給流本人、迦得人和瑪拿西半個支派作產業。
9Houdt dan de woorden dezes verbonds, en doet ze; opdat gij verstandelijk handelt in alles, wat gij doen zult.
9所以你們要謹守這約的話,並且遵行,好使你們在所行的一切事上都亨通。
10Gij staat heden allen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods: uw hoofden uwer stammen, uw oudsten, en uw ambtlieden, alle man van Israel;
10“今日你們全都站在耶和華你們的 神面前;你們的首領、族長、長老、官長和以色列所有的男子,
11Uw kinderkens, uw vrouwen, en uw vreemdeling, die in het midden van uw leger is, van uw houthouwer tot uw waterputter toe;
11你們的小孩、妻子和在你營中的寄居者,以及為你們劈柴挑水的人,都站在耶和華你們的 神面前,
12Om over te gaan in het verbond des HEEREN, uws Gods, en in Zijn vloek, hetwelk de HEERE, uw God, heden met u maakt;
12為要叫你遵守耶和華你的 神今日與你所立的約,和他向你所起的誓;
13Opdat Hij u heden Zichzelven tot een volk bevestige, en Hij u tot een God zij, gelijk als Hij tot u gesproken heeft, en gelijk als Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.
13這樣,他今日可以立你作他的子民,他可以作你的 神,正如他曾經對你說過的,又對你的列祖亞伯拉罕、以撒、雅各起過誓的。
14En niet met ulieden alleen maak ik dit verbond en dezen vloek;
14“我不但與你們立這約,起這誓;
15Maar met dengene, die heden hier bij ons voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, staat; en met dengene, die hier heden bij ons niet is.
15而且也與那些今日和我們在這裡,一同站在耶和華我們的 神面前的人,以及那些今日不與我們同在這裡的人立這約,起這誓。
16Want gij weet, hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetogen zijn door het midden der volken, die gij doorgetogen zijt.
16你們清楚知道我們怎樣在埃及地住過,怎樣從列國中經過;
17En gij hebt gezien hun verfoeiselen, en hun drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren.
17你們也見過他們的可憎之物,和他們那裡那些木、石、金、銀的偶像。
18Dat onder ulieden niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart heden wende van den HEERE, onzen God, om te gaan dienen de goden dezer volken; dat onder ulieden niet zij een wortel, die gal en alsem drage;
18恐怕你們中間有男人或女人,家族或支派,今日心裡偏離了耶和華我們的 神,去事奉那些國的神,又恐怕你們中間有惡根,生出毒草和苦堇來;
19En het geschiede, als hij de woorden dezes vloeks hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om den dronkene te doen tot den dorstige.
19如果人聽了這咒詛的話,心裡仍然自誇說:‘我雖然照著頑梗的心而行,使好人和惡人一起滅亡,我還有平安。’
20De HEERE zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal des HEEREN toorn en ijver roken over denzelven man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en de HEERE zal zijn naam van onder den hemel uitdelgen.
20耶和華必不肯饒恕他;耶和華的怒氣和憤恨必向這人發作,這書上所寫的一切咒詛都要降在那人身上,耶和華也必從天下塗抹他的名。
21En de HEERE zal hem ten kwade afscheiden van al de stammen Israels, naar alle vloeken des verbonds, dat in het boek dezer wet geschreven is.
21耶和華必照著寫在這律法書上的約的一切咒詛,把他從以色列眾支派中分別出來,使他遭受災禍。
22Dan zal zeggen het navolgend geslacht, uw kinderen, die na ulieden opstaan zullen, en de vreemde, die uit verren lande komen zal, als zij zullen zien de plagen dezes lands en deszelfs krankheden, waarmede de HEERE het gekrenkt heeft;
22“後代的人,就是你們以後興起來的子孫,和從遠方來的外族人,看見了這地的災難和耶和華降與這地的疾病,
23Dat zijn ganse aarde zij zwavel en zout der verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die de HEERE heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid;
23又看見了遍地有硫磺,有鹽鹵,有火燒,沒有播種,沒有出產,寸草不生,好像耶和華在烈怒和怒火中毀滅的所多瑪、蛾摩拉、押瑪、洗扁一樣,
24En alle volken zullen zeggen: Waarom heeft de HEERE aan dit land alzo gedaan? Wat is de ontsteking van dezen groten toorn?
24看見了這些的人和萬國的人都要問:‘耶和華為甚麼向這地這樣行呢?為甚麼大發烈怒呢?’
25Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond des HEEREN, des Gods hunner vaderen, hebben verlaten, dat Hij met hen gemaakt had, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde;
25人就必回答:‘是因為他們離棄了耶和華他們列祖的 神的約,就是耶和華把他們從埃及地領出來的時候,與他們所立的;
26En zij heengegaan zijn, en andere goden gediend en zich voor die gebogen hebben; goden, die hen niet gekend hadden, en geen van welke hun iets medegedeeld had;
26去事奉別的神,向他們叩拜,就是他們不認識的神,也是耶和華沒有給他們指定要拜的神;
27Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen dit land, om daarover te brengen al dezen vloek, die in dit boek geschreven is.
27所以耶和華向這地大發烈怒,把這書上所寫的一切咒詛都降在這地上;
28En de HEERE heeft hen uit hun land uitgetrokken, in toorn, en in grimmigheid, en in grote verbolgenheid; en Hij heeft hen verworpen in een ander land, gelijk het is te dezen dage.
28於是耶和華在烈怒、忿怒和大怒中,把他們從他們的地土拔出來,丟在別的地方,像今天一樣。’
29De verborgene dingen zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.
29“奧祕的事,是屬於耶和華我們的 神的,只有顯露的事,是永遠屬於我們和我們子孫的,好叫我們遵行這律法上的一切話。”